21 Bochten en een goed gesprek met jezelf
Zaterdag 1 juli 2000. Uur of drie ‘s middags. De Marmotte is dan een uur of 8 onderweg. Drie cols achter de rug, nog één te gaan; Alpe d’Huez. Een klim die ik bijna kan dromen. Ooit de eerste grote berg die ik in de Alpen reed. In 1981 reed ik met m’n broer die fameuze Nederlandse berg op. In alle rust reden we omhoog, Ik een groot deel samen met een Fransman die het op routine deed. Uiteindelijk leverde die eerste rit een tijd op van 1 uur en 15 minuten. Broerlief deed het rustiger en kwam 10 minuten later boven. In de jaren die volgden zou de klim elk jaar minstens één keer op het vakantiemenu staan. Zo makkelijk als de klim die eerste keer ging, zo vreesaanjagend was die eerste keer de afdaling door 21 haarspeldbochten. Pas bij bocht 21 kreeg ik het een beetje door. Remmen kon erg laat; zo’n 50 meter voor de bocht. Die ervaring zou ik pas weer een jaar later kunnen gebruiken.
De Marmotte had me tot aan de Alpe veel moeite gekost. M’n training in dat voorjaar had een duidelijke dip gehad. Kwam allemaal door het kopen van een nieuw huis en de noodzaak om dat nieuwe onderkomen grondig op te knappen. En dat ging ten koste van de broodnodige trainingskilometers. De laatste voorbereiding was een week voor de Marmotte. Met vier fietsvrienden reed ik, de korte (!) versie van Les Trois Ballons. Toch altijd nog 150 kilometers door een natte en koude Elzas. Daarna door naar de Alpen waar we nog wat kilometers maakten en vooral veel lol hadden. De lol kwam van de vanzelfsprekendheid waarmee we met z’n vijven onze sport beleefden en de gereden trainingskilometers van commentaar voorzagen. Lol kwam ook nog van een wedstrijd van Oranje tijdens het EK in eigen land. Vooral de 6-1 tegen Joegoslavië leverde een gedenkwaardige avond op. Die euforische sfeer was een paar dagen later in één klap weg.
Gelukkig mochten we een dag later doen waar we voor gekomen waren; een rit van 175 kom over het rijtje dat half wielrennend Nederland kan dromen; Col de la Croix de Fer, Col du Télégraphe, Col du Galibier en l’ Alpe d’Huez. ‘s Ochtends om net na 6 uur staan we naast de auto in La Garde, drie kilometer op de klim naar de Alpe. Kleumend in een druilerig regentje peuteren we onze fietsen uit de auto. Banden worden nog een keer opgepompt. Schoenen aan, helmen op, de laatste check op alles dat in orde moet zijn. Bidons gevuld en achterzakken vol met voeding. We dalen licht gespannen 3 kilometer af naar de start, waar de term “met de Franse slag” nog een compliment voor is. Een jaar later zie ik bij de Dolomietenmaraton hoe het ook kan.
Iets na 7 uur komt dan eindelijk beweging in de massa van 4300 deelnemers. Mijn vrienden, die inmiddels Marmotte veteranen zijn, hadden me al voorbereid op de gekte na de start. Het blijkt nog gekker te zijn. De eerste 10 kilometer naar de voet van de Col de la Croix de Fer gaan in krap een kwartier. De meute gaat in een dolle gestrekte draf op die eerste klim af. Ook al had ik me voorgenomen me niet gek te laten maken; het gaat vanzelf. En het lijkt geen moeite te kosten. De Croix de Fer gaat redelijk. Gek word ik alleen van die übergesoigneerde Italiaantjes die vrolijk keuvelend langsfietsen. Meer moeite kost me, gewoontegetrouw, de Galibier. De enige keren dat ik die berg lekker reed, waren de ritten waar ik pas in Valloire op de fiets stapte. Genieten doe ik ook, gek genoeg. De verlatenheid en desolate schoonheid van de Galibier blijven indrukwekkend. Ook als ik zit te vloeken vanwege een zeer merkbaar tekort aan training.
Dat het nog erger kan merk ik 2 uur later. De 45 kilometer dalen vanaf het dak van de Marmotte (2645 meter) naar de voet van de Alpe lijken me goed te hebben gedaan. Ik heb gegeten en gedronken. Bij le Clapier haal ik nog wat extra drinken en eten. Met redelijk goede moed begin ik aan de 13 kilometer en 21 bochten. Ergens na La Garde, waarschijnlijk tussen km 4 en 5 begint het. Ik voel me leeg, ook al heb ik geen honger. Zelfs wandelaars lijken sneller omhoog te gaan. Ik voel me slap en alles begint zeer te doen. Ik neem me voor om bij het volgende kilometerbordje even te pauzeren. Als dat bordje in zicht komt, realiseer ik me dat dit voornemen net zo realistisch als absurd is. Realistisch omdat ik me leeg en uitgeknepen voel. Absurd omdat je niet afstapt in een klim. Vooruit, bij een lekke band kan het. Verder niet.
Kilometerbordje 6 laat ik voorbijgaan. Nog geen 100 meter verder voel ik me nog slechter. En weer komt het voornemen in me op om krap 900 meter verderop even te pauzeren. Als km 7 in zicht komt, vervloek ik mezelf. “Lul, klootzak, je stapt niet af!” M’n benen, m’n rug en m’n ingewanden protesteren heftig tegen. Die willen maar één ding. Toch gaat ook bordje 7 traag langs. Ik kom in een ritme; na 100 meter komt het voornemen om even te pauzeren net zo onweerstaanbaar m’n brein binnen als een afloper leegloopt. En elke keer gaat de ratio de strijd met de emotie aan. En wint weer. Tergend langzaam schuift bordje 8 in en uit mijn blikveld.
Zo gaan bordjes 9, 10 en 11 ook langs. M’n brein en lijf hebben blijkbaar geen behoefte aan afwisseling. Korte vloeken en verwensingen werken elke kilometer weer. “Afstappen is voor losers, lul!” En “Klootzak, je vergeeft het je nooit als je nu afstapt!”. Diverse variaties op deze mantra’s werken elke keer. En zo kom ik bij het bordje van de laatste kilometer. Dan gaat het lekker; vooral omdat de laatste kilometer grote stukken vlak en licht vals plat kent. Uitgewrongen rol ik na 9 uur en 38 minuten over de streep. M’n eerste Marmotte zit erop. Volgend jaar weer een goed gesprek!
15 april 2011 bij 23:00
[...] (had ik die dan?) af te geven en nog wat water en eten mee te nemen. Toen door naar de Alpe. Een jaar eerder was ik al pratend en vloekend omhoog gereden. De eerste 3 kilometer tot aan La Garde gingen [...]