Archief voor de Categorie Wielrennen

Koude kriebels

Geplaatst onder Samenleven, Wielrennen met tags , , , op 11 mei 2011 door Hans de Gruijter

Maandag 9 mei begon zoals maandagen vaak beginnen. Terugkijken op een lekker weekend. Tevreden vanwege ‘t mooie weer, het fietsen, ‘n beetje lummelen, het sleutelen aan racefiets en mountainbike en kranten lezen. En natuurlijk de eerste etappes van de Giro kijken. Maandag 9 mei hield helaas snel op een gewone maandag te zijn. Om kwart over 9 krijg ik via de mail te horen dat P. is overleden. Deze oud-collega is in januari 2010 met leeftijdsontslag gegaan. Eind 2010 werd een tumor in zijn darmen vastgesteld. Na veel overleg en afwegingen wordt deze tumor half maart verwijderd. Vanaf dat moment leeft P. met zijn gezin en al zijn naasten tussen hoop en vrees. Net als deze gevoelens op en neer gaan, gaat ook zijn herstel. Dan weer licht positief, dan weer zorgelijk. Tot op woensdag 4 mei het “vonnis” volgt. Uitzaaiingen overal en nog maximaal 3 maanden te leven. Ik hoor het bijna uit de eerste hand. Ik belde net zijn vrouw om te vragen of bezoek in het ziekenhuis op vrijdag 6 mei schikte….

De kriebels schieten door m’n lijf en gaan voorlopig niet weg. Ik zie P. voor me. Een sterke man, beer van een vent. Hartelijk, recht voor z’n raap, trouw en vol plannen voor de jaren na z’n tijd bij Defensie. Samen met zijn vrouw; weg in zijn net eigenhandig verbouwde camper. En nu veroordeeld tot een beperkt aantal dagen. Zijn vrouw klinkt sterk; “Je bent welkom bij ons thuis, we gaan nog proberen een leuke tijd van die laatste maanden te maken”. Ik neem me voor op 6 mei in plaats van naar het ziekenhuis, naar hun huis te gaan.

Dat voornemen kan op 5 mei overboord; P. is te ziek. Als bezoek al mogelijk is, dan eerst familie. Uiteraard. Hij verlaat soms mijn gedachten, maar nooit voor lang. Ik probeer me voor te stellen wat de ziekte en 7 weken ziekenhuis hebben overgelaten van dat sterke, grote lijf. Het lukt me niet goed, en ik vind dat niet eens erg. Ik hou het liefst dat oude beeld voor me.

Maandag 9 mei blijkt dat P. van die 3 maanden net 4 dagen gegund zijn geweest. Misschien ook beter; de 7 weken in het ziekenhuis waren al een bezoeking voor hem geweest.

De maandag gaat tergend langzaam voorbij. In de loop van de middag vang ik flarden op van het verloop van de 3e etappe van de Giro. Ergens vang ik op dat er een ernstige val is. Ik besteed er verder weinig aandacht aan, m’n gedachten zijn elders. In de trein kan ik met moeite de gedachten bij een boek houden.

Als ik thuis kom en op het punt sta te gaan koken voor zoonlief en mijzelf, check ik de twitterstream van @ProcyclingLive. Weer die kriebels door m’n lijf; Wouter Weylandt, hij was het van die ernstige val, heeft het niet overleefd. Mijn gedachten gaan terug naar die bloedhete zomer van 1995. De val van Fabio Casartelli in de afdaling van de Portet d’Aspet. De beelden van een levenloos rennerslijf met een stroom bloed over gitzwart asfalt. De waanzin van een topsportevenement dat “gewoon” doorgaat.

In de loop van de avond zie ik af en toe beelden. Ik merk dat ik wel wil weten wat er gebeurd is met Wouter Weylandt, maar beelden hoeven niet. De beelden van Jens Voigt die in de tour van 2009 een gruwelijke valpartij meemaakt in de afdaling van de Petit St Bernhard doen mijn maag nog steeds omdraaien. Jens Voigt kan het navertellen en fietst weer. Tijdens Holland Sport van maandagavond laat Wilfried de Jong zien dat je goede en respectvolle TV kan maken rond zo’n vreselijke gebeurtenis. Tranen prikken achter m’n ogen.

De dinsdag verloopt redelijk normaal. Voor zover een dag normaal is als een dag eerder 2 sterfgevallen bekend zijn geworden. Ik zie niets van de Giro; krijg wel iets mee van de geneutraliseerde etappe. Ik verheug me op de rest van de week; ik heb een paar vakantiedagen genomen. Zoonlief heeft meivakantie en we gaan leuke dingen doen. In m’n agenda had ik al de 5e etappe van de Giro omcirkeld. De heroïsche tocht over de Strade Bianchi in de 2010 editie doet hopen op iets vergelijkbaars.

In de loop van de dinsdag en woensdag verschijnen op Het is koers! zeven mooie bijdragen over een gruwelijk wielerongeval. Ik lees ze allemaal. Ze helpen me om beeld, verhaal en gevoelens met elkaar te laten rijmen.

Zoonlief begint gelukkig, langzaamaan een interesse voor wielrennen te ontwikkelen. We zetten ons daarom rond 3 uur voor de tv. Lange tijd is er niet veel te beleven. Totdat de koers echt begint met de passage over de nu gortdroge strade bianchi. In het laatste uur worden we allebei enthousiast; Rabo doet het goed en is met 3-4 man vooraan vertegenwoordigd. Bram Tankink gaat op jacht en krijgt pech. Pieter Weening neemt over en krijgt een serieuze kans op winst.

Het enthousiasme wordt beetje bij beetje euforie. Weening gaat voor het eerst sinds 1999 voor een NL zege in de Giro zorgen. Tot de regisseur kiest voor een shot achter de achtervolgers. Op een kaarsrecht stuk zien we een renner keihard tegen de grond gaan. In een flits herken ik het oranje-blauw van Rabo. Ik krijg het warm en koud tegelijk als de renner roerloos blijft liggen. De kriebels van de maandag komen in hevigheid terug als hulpverleners druk bewegend bij de renner komen. M’n hart slaat op hol als ik één van die helpers bewegingen zie maken die maar één ding betekenen; hartmassage. Ook de commentatoren van Sporza paniekéren; “Nee, niet weer!”

Ik voel zoonlief verstrakken op m’n schoot; “Papa, gaat die renner nu dood?”. Ik weet niet wat te zeggen. Hoop dat er beweging komt in dat stille lijf. De regisseur blijft lang bij dat beeld, voor mij te lang. Gelukkig blijft de cameraman op afstand. Rondom het tafereel is paniek; mannen rennen, bewegen, gebaren. En nog steeds geen beweging. Beelden van Casartelli, Weylandt, schieten door mijn hoofd. Ook denk ik aan de talloze malen dat ik zelf op mijn racefiets met 60, 70, 80 km/u een afdaling in ging. En wat het zou zijn als zoonlief te horen zou moeten krijgen dat…..

Op dat moment zie ik een arm bewegen. En op dat moment schakelt de regisseur naar de koers. Dan pas ben ik in staat zoonlief te vertellen dat het allemaal goed komt. Dat die renner niet dood gaat. Dat het echt allemaal goed komt. Helemaal zeker ben ik daar niet van. Waar ik zeker van ben is dat ik hoop dat het bij dat ene gruwelijke ongeluk van maandag blijft.

Hoe hard de wielersport en het leven is, blijkt als nog geen 15 minuten later Pieter Weening voor Nederlands en Rabo succes zorgt. Dubbel wordt het als blijkt dat hij niet alleen de etappe wint, maar ook het roze aan mag trekken. Het is dan nog niet op. Steven Kruijswijk pakt de witte trui van het jongerenklassement. Hun ploegmaat Tom Jelte Slagter, hij was de ongelukkige, is dan op weg naar het ziekenhuis.

Mijn gedachten blijven de hele tijd bij P., Wouter Weylandt en Tom Jelte Slagter. Ik wacht en zoek net zolang in allerlei nieuwsfora tot ik zekerheid heb dat deze jonge prof de dagen krijgt om het wel na te vertellen. Dan gaat het leven ook bij zoonlief en mij door. “Wat eten we, papa?” helpt mij om de draad weer op te pakken.

8h01’37″ volgens Franse tijdwaarneming….

Geplaatst onder Wielrennen met tags , , , op 15 april 2011 door Hans de Gruijter

Marmotte 2001

Nog steeds kan ik ‘t niet hebben. Als ik er aan terug denk, kom ik gelijk in de zeldzame stemming dat ik alle Fransozen over één kam scheer. Niet te vertrouwen, slechte organisatoren, niks savoir-vivre. En dat allemaal vanwege bijna 100 tellen. Om precies te zijn, 98 seconden die ze me door de neus boorden op zaterdag 7 juli 2001. Eigenlijk meer. Mijn fietscomputer stond bij de finish echt op 7h57’06″ stil. Dus werd ik nog grover bestolen; 272 tellen te veel. Terwijl ik met 7h59’59″ al heel blij zou zijn geweest.

De 2001 editie van de Marmotte kende bijna winterse weersomstandigheden. Bij de start regen en de thermometer stond stil bij 10 graden. En de daaropvolgende 4-5 uur werd het niet droog. Op de toppen van de Col de la Croix de Fer en zeker de Col du Galibier was het helemaal bar. Later hoorde ik dat het op het dak van de ronde slechts 1 graad boven nul was geweest. Ik zag hevig trillende wielrenners van de fiets getild worden. Door de kou bevangen en grijs van ellende werden ze liefdevol warme auto’s ingedragen. Ik zag het gebeuren en vroeg me af wanneer het mij zou gebeuren.

In de afdaling van de Croix de Fer hield ik het verbazingwekkend lang vol zonder te klappertanden. Pas in het tweede deel begon het trillen en klappertanden. En was het niet te stoppen. Iets langzamer dan mijn tanden, klapperde in mijn hoofd een mantra mee. “Blijf kijken, blijf sturen, blijf remmen, blijf kijken, blijf sturen, blijf  remmen”.

Tijdens de klim naar de eerste col was ik al de hele tijd met mijn gedachten bij de afdaling. Hoe zou dat gaan? Zou ik nog kunnen remmen? Zouden mijn handen niet compleet verkleumd raken? Ik reed in behoorlijk zomers tenue (zie foto). Alleen een windstopper en mouwstukken waren de aanvulling op het normale “zomertenue”. In de klim reed ik me warm, nergens last van. Pas in de onderste helft van de afdaling van de Croix de Fer begon het dus. Niet te stoppen. Rillen, trillen en klappertanden. Zo erg dat ik bang was van de fiets te stuiteren.

In het dal op weg naar de Télégraphe was het merkbaar warmer. Al zal het daar ook niet meer dan een graad of 12 zijn geweest. Genoeg om weer op temperatuur te komen. Warmer kreeg ik het ook in de 12 kilometer lange klim van de Télégraphe. En gelukkig is de afdaling van de top van de Télégraphe naar Valloire maar 5 kilometer. Maar daar begon het trillen ook direct zodra de weg ophield te stijgen.

Van de 17 kilometer klimmen naar 2651 meter hoogte kreeg ik het warm genoeg om zonder noemenswaardige problemen door te fietsen. En ik bleef alert genoeg om alle verkleumde fietsers te zien. En me te verbazen over het feit dat het hen wel overkwam en mij niet. Althans, niet in de klim. Ik was koud 50 meter over de top, de snelheid kwam net boven de 30 per uur uit, of het trillen begon weer. En hield de 45 kilometer naar de voet van Alpe d’Huez ook niet meer op. Werd zelfs ook erger door een 10 minuten durende hoosbui op het stuk tussen La Grave en het Lac du Chambon. In plaats van lekker losrijden, moest ik hier volle bak rijden om het niet weer vreselijk koud te krijgen.

De neiging om bij Le Clapier linksaf te slaan werd groter en groter. Zeker omdat ons hotel in Vénosc voorzien was van een sauna. Warm worden, dat is wat ik wilde. Tot een blik op mijn fietscomputer mij leerde dat ik “pas” 6 1/2 uur onderweg was. Als ik ooit de kans zou hebben om de Marmotte binnen de 8 uur te rijden, was het nu. Een korte stop bij le Clapier om overbodige kleding (had ik die dan?) af te geven en nog wat water en eten mee te nemen. Toen door naar de Alpe. Een jaar eerder was ik al pratend en vloekend omhoog gereden. De eerste 3 kilometer tot aan La Garde gingen zowaar lekker. Bij La Garde haalde ik ook fietsmaatje K. in. Ik had K. op het vlakke al nooit bij kunnen houden, laat staan in de heuvels en bergen. Hier haalde ik hem bij. En in.

Ik had hem al eerder gezien; in de bocht van Plan Lachat halverwege op de Galibier stond hij voor de 6e keer te pissen. Dat verklaart dat ik hem weer bijhaalde. De rest van de Galibier reed hij weer sneller. In de afdaling van de Lautaret kreeg ik hem weer in ‘t vizier. Bij Le Clapier reed hij net voor me weg. “Tot boven”, riep ik hem nog na. Geen van tweeën kon toen weten dat het waar zou blijken, alleen andersom…..

Op de eerste kilometer na La Garde praten we even. “We gaan voor een tijd binnen de 8 uur!”, houd ik hem voor. “Lukt niet”, geeft hij aan. “Jawel, ik weer. “We hebben nog 52 minuten voor 10 kilometer”. Ik bleek zelfs nog te kunnen rekenen op dat moment. “We hoeven alleen maar 12 per uur te rijden, dan houden we nog over. En alles sneller dan 12 per uur geeft ons een tijd sneller dan 8 uur”. “Jaja”, was alles dat hij zei.

Ik zet me op kop en roep nog dat hij mijn wiel moet houden. Al binnen 500 meter zie ik dat hij 5 meter heeft. Weer 500 meter verder is het gat al 100 meter. Licht verward rijd ik verder. Wat gebeurt hier? Ik rij hem los. Op de Alpe, nota bene! Omdat mijn teller geruststellende informatie blijft geven, ga ik niet tot het uiterste. In het dorp aangekomen, geef ik toch wat gas bij; daar gaat het ook. Na de paar slingers en een klein stukje vals plat, draai ik over de rotonde naar de finish. En druk m’n computer stil op 7h57’06″. Om drie dagen later op internet (zo snel ging dat toen) te zien dat de Fransen me 4,5 minuut hadden genept!

De, nog steeds, schrale troost was drievoudig. Ik leerde dat kou en vocht geen invloed op me heeft. Ik had K. voor ‘t eerst (en tot nu laatst) van onze gezamenlijke  fietsloopbaan uit het wiel gereden. En dat de klim naar Alpe d’Huez in een verbijsterende 56 minuten was gegaan. Maar die tijd van 8h01’37″ blijft staan. K*t Fransozen!

21 Bochten en een goed gesprek met jezelf

Geplaatst onder Wielrennen met tags , , , op 21 maart 2011 door Hans de Gruijter

Zaterdag 1 juli 2000. Uur of drie ‘s middags. De Marmotte is dan een uur of 8 onderweg. Drie cols achter de rug, nog één te gaan; Alpe d’Huez. Een klim die ik bijna kan dromen. Ooit de eerste grote berg die ik in de Alpen reed. In 1981 reed ik met m’n broer die fameuze Nederlandse berg op. In alle rust reden we omhoog, Ik een groot deel samen met een Fransman die het op routine deed. Uiteindelijk leverde die eerste rit een tijd op van 1 uur en 15 minuten. Broerlief deed het rustiger en kwam 10 minuten later boven. In de jaren die volgden zou de klim elk jaar minstens één keer op het vakantiemenu staan. Zo makkelijk als de klim die eerste keer ging, zo vreesaanjagend was die eerste keer de afdaling door 21 haarspeldbochten. Pas bij bocht 21 kreeg ik het een beetje door. Remmen kon erg laat; zo’n 50 meter voor de bocht. Die ervaring zou ik pas weer een jaar later kunnen gebruiken.

De Marmotte had me tot aan de Alpe veel moeite gekost. M’n training in dat voorjaar had een duidelijke dip gehad. Kwam allemaal door het kopen van een nieuw huis en de noodzaak om dat nieuwe onderkomen grondig op te knappen. En dat ging ten koste van de broodnodige trainingskilometers. De laatste voorbereiding was een week voor de Marmotte. Met vier fietsvrienden reed ik, de korte (!) versie van Les Trois Ballons. Toch altijd nog 150 kilometers door een natte en koude Elzas. Daarna door naar de Alpen waar we nog wat kilometers maakten en vooral veel lol hadden. De lol kwam van de vanzelfsprekendheid waarmee we met z’n vijven onze sport beleefden en de gereden trainingskilometers van commentaar voorzagen. Lol kwam ook nog van een wedstrijd van Oranje tijdens het EK in eigen land. Vooral de 6-1 tegen Joegoslavië leverde een gedenkwaardige avond op. Die euforische sfeer was een paar dagen later in één klap weg.

Gelukkig mochten we een dag later doen waar we voor gekomen waren; een rit van 175 kom over het rijtje dat half wielrennend Nederland kan dromen; Col de la Croix de Fer, Col du Télégraphe, Col du Galibier en l’ Alpe d’Huez. ‘s Ochtends om net na 6 uur staan we naast de auto in La Garde, drie kilometer op de klim naar de Alpe. Kleumend in een druilerig regentje peuteren we onze fietsen uit de auto. Banden worden nog een keer opgepompt. Schoenen aan, helmen op, de laatste check op alles dat in orde moet zijn. Bidons gevuld en achterzakken vol met voeding. We dalen licht gespannen 3 kilometer af naar de start, waar de term “met de Franse slag” nog een compliment voor is. Een jaar later zie ik bij de Dolomietenmaraton hoe het ook kan.

Iets na 7 uur komt dan eindelijk beweging in de massa van 4300 deelnemers. Mijn vrienden, die inmiddels Marmotte veteranen zijn, hadden me al voorbereid op de gekte na de start. Het blijkt nog gekker te zijn. De eerste 10 kilometer naar de voet van de Col de la Croix de Fer gaan in krap een kwartier. De meute gaat in een dolle gestrekte draf op die eerste klim af. Ook al had ik me voorgenomen me niet gek te laten maken; het gaat vanzelf. En het lijkt geen moeite te kosten. De Croix de Fer gaat redelijk. Gek word ik alleen van die übergesoigneerde Italiaantjes die vrolijk keuvelend langsfietsen. Meer moeite kost me, gewoontegetrouw, de Galibier. De enige keren dat ik die berg lekker reed, waren de ritten waar ik pas in Valloire op de fiets stapte. Genieten doe ik ook, gek genoeg. De verlatenheid en desolate schoonheid van de Galibier blijven indrukwekkend. Ook als ik zit te vloeken vanwege een zeer merkbaar tekort aan training.

Dat het nog erger kan merk ik 2 uur later. De 45 kilometer dalen vanaf het dak van de Marmotte (2645 meter) naar de voet van de Alpe lijken me goed te hebben gedaan. Ik heb gegeten en gedronken. Bij le Clapier haal ik nog wat extra drinken en eten. Met redelijk goede moed begin ik aan de 13 kilometer en 21 bochten. Ergens na La Garde, waarschijnlijk tussen km 4 en 5 begint het. Ik voel me leeg, ook al heb ik geen honger. Zelfs wandelaars lijken sneller omhoog te gaan. Ik voel me slap en alles begint zeer te doen. Ik neem me voor om bij het volgende kilometerbordje even te pauzeren. Als dat bordje in zicht komt, realiseer ik me dat dit voornemen net zo realistisch als absurd is. Realistisch omdat ik me leeg en uitgeknepen voel. Absurd omdat je niet afstapt in een klim. Vooruit, bij een lekke band kan het. Verder niet.

Kilometerbordje 6 laat ik voorbijgaan. Nog geen 100 meter verder voel ik me nog slechter. En weer komt het voornemen in me op om krap 900 meter verderop even te pauzeren. Als km 7 in zicht komt, vervloek ik mezelf. “Lul, klootzak, je stapt niet af!” M’n benen, m’n rug en m’n ingewanden protesteren heftig tegen. Die willen maar één ding. Toch gaat ook bordje 7 traag langs. Ik kom in een ritme; na 100 meter komt het voornemen om even te pauzeren net zo onweerstaanbaar m’n brein binnen als een afloper leegloopt. En elke keer gaat de ratio de strijd met de emotie aan. En wint weer. Tergend langzaam schuift bordje 8 in en uit mijn blikveld.

Zo gaan bordjes 9, 10 en 11 ook langs. M’n brein en lijf hebben blijkbaar geen behoefte aan afwisseling. Korte vloeken en verwensingen werken elke kilometer weer. “Afstappen is voor losers, lul!” En “Klootzak, je vergeeft het je nooit als je nu afstapt!”. Diverse variaties op deze mantra’s werken elke keer. En zo kom ik bij het bordje van de laatste kilometer. Dan gaat het lekker; vooral omdat de laatste kilometer grote stukken vlak en licht vals plat kent. Uitgewrongen rol ik na 9 uur en 38 minuten over de streep. M’n eerste Marmotte zit erop. Volgend jaar weer een goed gesprek!

Een man en zijn fiets. En wat daar uit voort komt.

Geplaatst onder Samenleven, Wielrennen met tags , , , , , op 16 februari 2011 door Hans de Gruijter

Zaterdag 14 Februari 2004, Marco Pantani wordt dood aangetroffen in zijn kamer in een hotel in Rimini. Hij kwam niet opdagen bij het diner en men ging hem zoeken. Heel wielerminnend Italië is in rouw. Allerlei geruchten over zelfdoding en drugsgebruik kunnen niet voorkomen dat Il Elephantino of Il Diavolo al snel een nog grotere heldenstatus kreeg dan hij bij leven al had.

Voorjaar 2010. Wilfried de Jong brengt zijn boek “Man en zijn fiets” uit. Een bundel met wielerverhalen. Of zijn het verhalen over wielrennen? Het zijn in ieder geval verhalen waar liefde voor de racefiets uit spreekt. En liefde voor het wielrennen. De Jong blijkt een scherp oog te hebben voor details en bijzondere situaties in en rond het wielrennen. Hij weet in soms verbluffend eenvoudige woorden de schoonheid van de wielersport te raken.

Vroege voorjaar 2011. Wilfried de Jong brengt samen met zijn huisband Ocobar (uit Holland Sport) zijn boek de planken op. Ik ga met collega, twittermaat en onregelmatige fietsvriend Niels Roelen naar de voorstelling in Diligentia in Den Haag. Wilfried en zijn muzikanten zetten in 80 minuten fraaie scènes neer. De verhalen worden ondersteund door de muziek, soms dromerig, loom, dan weer stampend, vaak swingend. Aan bod komen de liefde van de man voor zijn fiets, het ritme van de pedaaltred, het afzien tijdens een klim en de gekte van een sprint. Van alle scenes druipt de liefde van Wilfried voor de fiets, voor het wielrennen.

Dan komt een scene over Pantani. Het verhaal kende ik al uit het boek. Wilfried’s opmerking “Pantani neemt een kamer op de 5e verdieping van een hotel in Rimini. Hij doet de deur open en laat de dood binnen”, komt bij mij binnen. Ik ben terug in het vroege voorjaar van 1993. Ik woon en werk in Blomberg. Op maandag kom ik de basis op en zie de vlag halfstok.  Ik schrik; het kan niet anders dan een sterfgeval van een collega betekenen. Ik schrik nog meer als ik hoor dat het Jos is. Een goede collega; sportief, betrokken en altijd opgewekt. Hij is de dag ervoor aangetroffen. In een bos een kilometer of 30 verderop, in zijn camper. Alles afgeplakt en een slang van de uitlaat door een kleine opening naar binnen. Het enige dat de verbijsterde nabestaanden en collega’s te weten komen, komt van een klein, kort briefje. “Ik ben moe, ik wil rust. Ik ga slapen”.

In Diligentia duurt het, 18 jaar later, even voor ik weer in het verhaal van Wilfried de Jong zit. Het beeld van een man, moederziel alleen in een doodstil bos blijft hardnekkig in m’n hoofd hangen. Een man doelbewust bezig. Bezig zijn camper dicht te plakken. Bezig een slang aan de uitlaat vast te maken. En dan, als alles goed dicht zit, doet hij de deur open, gaat naar binnen en doet de deur dicht. De dood staat nog buiten. Die komt die keer niet door de deur naar binnen. Ik moet slikken en de tranen prikken weer achter m’n ogen.

Achteraf voelt het goed. De scene over Pantani bracht beelden terug van een triomferende kleine grote renner. Beelden van betoverende wielersport. Ook bracht de scene beelden terug van een mooie collega. Beelden van lange duurlopen die ik samen met Jos maakte in de bossen rond Blomberg. De gesprekken die we voerden over hardlopen, over wielrennen, over het leven. Mooie herinneringen aan mooie sportmannen. Mannen die ervoor kozen de dood in hun kamer toe te laten.

De krant van Joop

Geplaatst onder Sport, Wielrennen met tags , , , op 31 januari 2011 door Hans de Gruijter

Zomer 1980. De laatste keer dat ik de zomervakantie met ouders in Frankrijk doorbracht. Mijn zus had al een paar jaar eerder besloten om zelf haar plan te trekken in de zomers. Dat zorgde wel voor meer ruimte in de auto voor mijn broer en mij. En ruimte voor onze racefietsen. Want dat zouden we gaan doen die zomer. En naar de Tour kijken, het liefst langs de route. En anders wel in de kroeg. Na een paar eendaagse verblijven streken we neer op de camping Domaine du Castex in Aignan; een lief klein dorpje in de Gers. Vooral bekend van de Armagnac. Volgens de lokale bevolking zoiets als Cognac, maar dan beter.

Vandaar zouden we vooral fietsen en wielrennen kijken. Het fietsen ging prima. De streek rond Aignan laat zich het best vergelijken met de Franse Ardennen. Mooi glooiend, niet te hoog en te steil. Wel een stuk warmer. Zolang de Tour nog niet echt dichtbij was, togen we elke dag, na een ochtendlijke trainingsrit, naar de lokale kroeg om daar de live verslagen van de touretappes te kijken. De eerste dagen vonden de stamgasten het prima; zelfs vermakelijk dat twee blonde Nederlandse knullen hun Tour kwamen bekijken. Af en toe een etappe was prima, maar we moesten vooral snappen dat Bernard Hinault weer zou winnen. Na 3 dagen sloeg dat toch iets om. Na 5 dagen werd ons bij binnenkomst lacherig te kennen gegeven dat er vast wel weer een Hollander zou winnen. Vanaf dag 8 werd de sfeer een beetje vijandig. Raleigh bleef maar winnen; 10 etappes op rij. Ritten in lijn, ploegentijdritten en individuele tijdritten. Alles werd gewonnen en alle rijders kregen hun deel.

Tot de dag van de etappe naar Pau. Die zagen we ergens in het Franse landschap. We zagen daar vooral de reclamekaravaan. Dat duurde een uur. De renners waren in één lange kleurrijke en rumoerige streep binnen één minuut voorbij. En toch vonden we het geweldig. We hadden ze gezien. En zelfs wat renners herkend. Die avond kwam voor alles wat Frans was en wielrennen een warm hart toedroeg, een verpletterend bericht. Bernard Hinault verlaat de Tour. Zijn knie liet verder fietsen niet toe.

De dag erna staat de klassieke Pyreneeënetappe op het programma. Aubisque, Tourmalet, Aspin en Peyresourde. Wij moesten en zouden gaan kijken. Op de Aspin. Het weer was druilerig, regen dreigde continu te gaan vallen, maar we hielden het gelukkig droog. Al lang voor de renners langs kwamen stonden wij tussen de laatste huizen van Ste Marie de Campan; het dorpje aan de voet van twee van die vier reuzen; Tourmalet en Aspin. Weer zagen we de ellenlange sliert met reclamevoertuigen. En langzaam steeg de spanning en opwinding. Snel bleek waarom. Mensen met transistorradiootjes wisten te melden dat Raymond Martin op kop lag. Een groep met onder anderen Joop Zoetemelk volgde op een kleine achterstand.

Na wat een eeuwigheid leek kwamen motoren en auto’s aan. De spanning en opwinding nam nog meer toe. En ja, eerst kwam een kleine pezige Fransman in dat roze shirt van Miko langs; Raymond Martin. Wat ons opviel was hoe hard hij reed. Binnen de minuut gevolgd door onze held, Joop! Uitgerekend voor onze neus peutert Joop de krant, die hem warm moest houden tijdens de lange koude afdaling van de Tourmalet, onder zijn shirt vandaan. 

Joop gooit die krant zowat op de voeten van mijn moeder. Wat ertoe leidde dat mijn broer en ik even geen oog meer voor de renners hadden. “Pak die krant!” schreeuwden we uit volle borst. Pas toen we zeker wisten dat dit souvenir goed was opgeborgen, hadden we weer oog voor de koers. Johan van der Velde, Hennie Kuiper en Henk Lubberding hadden we gemist. Dat ze echt waren langs gekomen, zagen we pas thuis, op foto’s die Pa keurig van alle renners had gemaakt.

De finish van die etappe zagen we op TV. In een kroeg ergens langs de route op weg terug naar de camping. Raymond Martin had de opgebouwde voorsprong vastgehouden. Hij de etappe, Joop het geel. De trui die Joop geweigerd had aan te trekken na het vertrek van Hinault. Die Pyreneeënetappe is waarschijnlijk de enige bergetappe geweest zonder een renner in het geel.

De rest is geschiedenis. Raleigh wint nog één etappe (een tijdrit) en brengt de gele trui naar Parijs. Zelfs een afgrijselijke zwieper van Johan van der Velde en daaropvolgende val van Joop verandert daar niets aan.

In de kroeg in Aignan zijn we de rest van de vakantie niet meer geweest.

Een dag later merkten mijn broer en ik dat fietsen in de bergen, echte bergen, wel iets anders is dan in de heuvels. Zeker als je geen bergverzet bij je hebt. Dan doet het echt zeer. Maar we konden wel onze eerste echte col noteren, Col d’Aspin.

De krant zit nog steeds ergens in het vakantiearchief van mijn ouders. Goed opgeborgen. En ondanks herhaald ruiken, hebben we nooit iets kunnen vaststellen dat moest lijken op het zweet van Joop, de laatste Nederlandse tourwinnaar.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.