Maandag 9 mei begon zoals maandagen vaak beginnen. Terugkijken op een lekker weekend. Tevreden vanwege ‘t mooie weer, het fietsen, ‘n beetje lummelen, het sleutelen aan racefiets en mountainbike en kranten lezen. En natuurlijk de eerste etappes van de Giro kijken. Maandag 9 mei hield helaas snel op een gewone maandag te zijn. Om kwart over 9 krijg ik via de mail te horen dat P. is overleden. Deze oud-collega is in januari 2010 met leeftijdsontslag gegaan. Eind 2010 werd een tumor in zijn darmen vastgesteld. Na veel overleg en afwegingen wordt deze tumor half maart verwijderd. Vanaf dat moment leeft P. met zijn gezin en al zijn naasten tussen hoop en vrees. Net als deze gevoelens op en neer gaan, gaat ook zijn herstel. Dan weer licht positief, dan weer zorgelijk. Tot op woensdag 4 mei het “vonnis” volgt. Uitzaaiingen overal en nog maximaal 3 maanden te leven. Ik hoor het bijna uit de eerste hand. Ik belde net zijn vrouw om te vragen of bezoek in het ziekenhuis op vrijdag 6 mei schikte….
De kriebels schieten door m’n lijf en gaan voorlopig niet weg. Ik zie P. voor me. Een sterke man, beer van een vent. Hartelijk, recht voor z’n raap, trouw en vol plannen voor de jaren na z’n tijd bij Defensie. Samen met zijn vrouw; weg in zijn net eigenhandig verbouwde camper. En nu veroordeeld tot een beperkt aantal dagen. Zijn vrouw klinkt sterk; “Je bent welkom bij ons thuis, we gaan nog proberen een leuke tijd van die laatste maanden te maken”. Ik neem me voor op 6 mei in plaats van naar het ziekenhuis, naar hun huis te gaan.
Dat voornemen kan op 5 mei overboord; P. is te ziek. Als bezoek al mogelijk is, dan eerst familie. Uiteraard. Hij verlaat soms mijn gedachten, maar nooit voor lang. Ik probeer me voor te stellen wat de ziekte en 7 weken ziekenhuis hebben overgelaten van dat sterke, grote lijf. Het lukt me niet goed, en ik vind dat niet eens erg. Ik hou het liefst dat oude beeld voor me.
Maandag 9 mei blijkt dat P. van die 3 maanden net 4 dagen gegund zijn geweest. Misschien ook beter; de 7 weken in het ziekenhuis waren al een bezoeking voor hem geweest.
De maandag gaat tergend langzaam voorbij. In de loop van de middag vang ik flarden op van het verloop van de 3e etappe van de Giro. Ergens vang ik op dat er een ernstige val is. Ik besteed er verder weinig aandacht aan, m’n gedachten zijn elders. In de trein kan ik met moeite de gedachten bij een boek houden.
Als ik thuis kom en op het punt sta te gaan koken voor zoonlief en mijzelf, check ik de twitterstream van @ProcyclingLive. Weer die kriebels door m’n lijf; Wouter Weylandt, hij was het van die ernstige val, heeft het niet overleefd. Mijn gedachten gaan terug naar die bloedhete zomer van 1995. De val van Fabio Casartelli in de afdaling van de Portet d’Aspet. De beelden van een levenloos rennerslijf met een stroom bloed over gitzwart asfalt. De waanzin van een topsportevenement dat “gewoon” doorgaat.
In de loop van de avond zie ik af en toe beelden. Ik merk dat ik wel wil weten wat er gebeurd is met Wouter Weylandt, maar beelden hoeven niet. De beelden van Jens Voigt die in de tour van 2009 een gruwelijke valpartij meemaakt in de afdaling van de Petit St Bernhard doen mijn maag nog steeds omdraaien. Jens Voigt kan het navertellen en fietst weer. Tijdens Holland Sport van maandagavond laat Wilfried de Jong zien dat je goede en respectvolle TV kan maken rond zo’n vreselijke gebeurtenis. Tranen prikken achter m’n ogen.
De dinsdag verloopt redelijk normaal. Voor zover een dag normaal is als een dag eerder 2 sterfgevallen bekend zijn geworden. Ik zie niets van de Giro; krijg wel iets mee van de geneutraliseerde etappe. Ik verheug me op de rest van de week; ik heb een paar vakantiedagen genomen. Zoonlief heeft meivakantie en we gaan leuke dingen doen. In m’n agenda had ik al de 5e etappe van de Giro omcirkeld. De heroïsche tocht over de Strade Bianchi in de 2010 editie doet hopen op iets vergelijkbaars.
In de loop van de dinsdag en woensdag verschijnen op Het is koers! zeven mooie bijdragen over een gruwelijk wielerongeval. Ik lees ze allemaal. Ze helpen me om beeld, verhaal en gevoelens met elkaar te laten rijmen.
Zoonlief begint gelukkig, langzaamaan een interesse voor wielrennen te ontwikkelen. We zetten ons daarom rond 3 uur voor de tv. Lange tijd is er niet veel te beleven. Totdat de koers echt begint met de passage over de nu gortdroge strade bianchi. In het laatste uur worden we allebei enthousiast; Rabo doet het goed en is met 3-4 man vooraan vertegenwoordigd. Bram Tankink gaat op jacht en krijgt pech. Pieter Weening neemt over en krijgt een serieuze kans op winst.
Het enthousiasme wordt beetje bij beetje euforie. Weening gaat voor het eerst sinds 1999 voor een NL zege in de Giro zorgen. Tot de regisseur kiest voor een shot achter de achtervolgers. Op een kaarsrecht stuk zien we een renner keihard tegen de grond gaan. In een flits herken ik het oranje-blauw van Rabo. Ik krijg het warm en koud tegelijk als de renner roerloos blijft liggen. De kriebels van de maandag komen in hevigheid terug als hulpverleners druk bewegend bij de renner komen. M’n hart slaat op hol als ik één van die helpers bewegingen zie maken die maar één ding betekenen; hartmassage. Ook de commentatoren van Sporza paniekéren; “Nee, niet weer!”
Ik voel zoonlief verstrakken op m’n schoot; “Papa, gaat die renner nu dood?”. Ik weet niet wat te zeggen. Hoop dat er beweging komt in dat stille lijf. De regisseur blijft lang bij dat beeld, voor mij te lang. Gelukkig blijft de cameraman op afstand. Rondom het tafereel is paniek; mannen rennen, bewegen, gebaren. En nog steeds geen beweging. Beelden van Casartelli, Weylandt, schieten door mijn hoofd. Ook denk ik aan de talloze malen dat ik zelf op mijn racefiets met 60, 70, 80 km/u een afdaling in ging. En wat het zou zijn als zoonlief te horen zou moeten krijgen dat…..
Op dat moment zie ik een arm bewegen. En op dat moment schakelt de regisseur naar de koers. Dan pas ben ik in staat zoonlief te vertellen dat het allemaal goed komt. Dat die renner niet dood gaat. Dat het echt allemaal goed komt. Helemaal zeker ben ik daar niet van. Waar ik zeker van ben is dat ik hoop dat het bij dat ene gruwelijke ongeluk van maandag blijft.
Hoe hard de wielersport en het leven is, blijkt als nog geen 15 minuten later Pieter Weening voor Nederlands en Rabo succes zorgt. Dubbel wordt het als blijkt dat hij niet alleen de etappe wint, maar ook het roze aan mag trekken. Het is dan nog niet op. Steven Kruijswijk pakt de witte trui van het jongerenklassement. Hun ploegmaat Tom Jelte Slagter, hij was de ongelukkige, is dan op weg naar het ziekenhuis.
Mijn gedachten blijven de hele tijd bij P., Wouter Weylandt en Tom Jelte Slagter. Ik wacht en zoek net zolang in allerlei nieuwsfora tot ik zekerheid heb dat deze jonge prof de dagen krijgt om het wel na te vertellen. Dan gaat het leven ook bij zoonlief en mij door. “Wat eten we, papa?” helpt mij om de draad weer op te pakken.