Archief voor Grenzen

8h01’37″ volgens Franse tijdwaarneming….

Geplaatst onder Wielrennen met tags , , , op 15 april 2011 door Hans de Gruijter

Marmotte 2001

Nog steeds kan ik ‘t niet hebben. Als ik er aan terug denk, kom ik gelijk in de zeldzame stemming dat ik alle Fransozen over één kam scheer. Niet te vertrouwen, slechte organisatoren, niks savoir-vivre. En dat allemaal vanwege bijna 100 tellen. Om precies te zijn, 98 seconden die ze me door de neus boorden op zaterdag 7 juli 2001. Eigenlijk meer. Mijn fietscomputer stond bij de finish echt op 7h57’06″ stil. Dus werd ik nog grover bestolen; 272 tellen te veel. Terwijl ik met 7h59’59″ al heel blij zou zijn geweest.

De 2001 editie van de Marmotte kende bijna winterse weersomstandigheden. Bij de start regen en de thermometer stond stil bij 10 graden. En de daaropvolgende 4-5 uur werd het niet droog. Op de toppen van de Col de la Croix de Fer en zeker de Col du Galibier was het helemaal bar. Later hoorde ik dat het op het dak van de ronde slechts 1 graad boven nul was geweest. Ik zag hevig trillende wielrenners van de fiets getild worden. Door de kou bevangen en grijs van ellende werden ze liefdevol warme auto’s ingedragen. Ik zag het gebeuren en vroeg me af wanneer het mij zou gebeuren.

In de afdaling van de Croix de Fer hield ik het verbazingwekkend lang vol zonder te klappertanden. Pas in het tweede deel begon het trillen en klappertanden. En was het niet te stoppen. Iets langzamer dan mijn tanden, klapperde in mijn hoofd een mantra mee. “Blijf kijken, blijf sturen, blijf remmen, blijf kijken, blijf sturen, blijf  remmen”.

Tijdens de klim naar de eerste col was ik al de hele tijd met mijn gedachten bij de afdaling. Hoe zou dat gaan? Zou ik nog kunnen remmen? Zouden mijn handen niet compleet verkleumd raken? Ik reed in behoorlijk zomers tenue (zie foto). Alleen een windstopper en mouwstukken waren de aanvulling op het normale “zomertenue”. In de klim reed ik me warm, nergens last van. Pas in de onderste helft van de afdaling van de Croix de Fer begon het dus. Niet te stoppen. Rillen, trillen en klappertanden. Zo erg dat ik bang was van de fiets te stuiteren.

In het dal op weg naar de Télégraphe was het merkbaar warmer. Al zal het daar ook niet meer dan een graad of 12 zijn geweest. Genoeg om weer op temperatuur te komen. Warmer kreeg ik het ook in de 12 kilometer lange klim van de Télégraphe. En gelukkig is de afdaling van de top van de Télégraphe naar Valloire maar 5 kilometer. Maar daar begon het trillen ook direct zodra de weg ophield te stijgen.

Van de 17 kilometer klimmen naar 2651 meter hoogte kreeg ik het warm genoeg om zonder noemenswaardige problemen door te fietsen. En ik bleef alert genoeg om alle verkleumde fietsers te zien. En me te verbazen over het feit dat het hen wel overkwam en mij niet. Althans, niet in de klim. Ik was koud 50 meter over de top, de snelheid kwam net boven de 30 per uur uit, of het trillen begon weer. En hield de 45 kilometer naar de voet van Alpe d’Huez ook niet meer op. Werd zelfs ook erger door een 10 minuten durende hoosbui op het stuk tussen La Grave en het Lac du Chambon. In plaats van lekker losrijden, moest ik hier volle bak rijden om het niet weer vreselijk koud te krijgen.

De neiging om bij Le Clapier linksaf te slaan werd groter en groter. Zeker omdat ons hotel in Vénosc voorzien was van een sauna. Warm worden, dat is wat ik wilde. Tot een blik op mijn fietscomputer mij leerde dat ik “pas” 6 1/2 uur onderweg was. Als ik ooit de kans zou hebben om de Marmotte binnen de 8 uur te rijden, was het nu. Een korte stop bij le Clapier om overbodige kleding (had ik die dan?) af te geven en nog wat water en eten mee te nemen. Toen door naar de Alpe. Een jaar eerder was ik al pratend en vloekend omhoog gereden. De eerste 3 kilometer tot aan La Garde gingen zowaar lekker. Bij La Garde haalde ik ook fietsmaatje K. in. Ik had K. op het vlakke al nooit bij kunnen houden, laat staan in de heuvels en bergen. Hier haalde ik hem bij. En in.

Ik had hem al eerder gezien; in de bocht van Plan Lachat halverwege op de Galibier stond hij voor de 6e keer te pissen. Dat verklaart dat ik hem weer bijhaalde. De rest van de Galibier reed hij weer sneller. In de afdaling van de Lautaret kreeg ik hem weer in ‘t vizier. Bij Le Clapier reed hij net voor me weg. “Tot boven”, riep ik hem nog na. Geen van tweeën kon toen weten dat het waar zou blijken, alleen andersom…..

Op de eerste kilometer na La Garde praten we even. “We gaan voor een tijd binnen de 8 uur!”, houd ik hem voor. “Lukt niet”, geeft hij aan. “Jawel, ik weer. “We hebben nog 52 minuten voor 10 kilometer”. Ik bleek zelfs nog te kunnen rekenen op dat moment. “We hoeven alleen maar 12 per uur te rijden, dan houden we nog over. En alles sneller dan 12 per uur geeft ons een tijd sneller dan 8 uur”. “Jaja”, was alles dat hij zei.

Ik zet me op kop en roep nog dat hij mijn wiel moet houden. Al binnen 500 meter zie ik dat hij 5 meter heeft. Weer 500 meter verder is het gat al 100 meter. Licht verward rijd ik verder. Wat gebeurt hier? Ik rij hem los. Op de Alpe, nota bene! Omdat mijn teller geruststellende informatie blijft geven, ga ik niet tot het uiterste. In het dorp aangekomen, geef ik toch wat gas bij; daar gaat het ook. Na de paar slingers en een klein stukje vals plat, draai ik over de rotonde naar de finish. En druk m’n computer stil op 7h57’06″. Om drie dagen later op internet (zo snel ging dat toen) te zien dat de Fransen me 4,5 minuut hadden genept!

De, nog steeds, schrale troost was drievoudig. Ik leerde dat kou en vocht geen invloed op me heeft. Ik had K. voor ‘t eerst (en tot nu laatst) van onze gezamenlijke  fietsloopbaan uit het wiel gereden. En dat de klim naar Alpe d’Huez in een verbijsterende 56 minuten was gegaan. Maar die tijd van 8h01’37″ blijft staan. K*t Fransozen!

21 Bochten en een goed gesprek met jezelf

Geplaatst onder Wielrennen met tags , , , op 21 maart 2011 door Hans de Gruijter

Zaterdag 1 juli 2000. Uur of drie ‘s middags. De Marmotte is dan een uur of 8 onderweg. Drie cols achter de rug, nog één te gaan; Alpe d’Huez. Een klim die ik bijna kan dromen. Ooit de eerste grote berg die ik in de Alpen reed. In 1981 reed ik met m’n broer die fameuze Nederlandse berg op. In alle rust reden we omhoog, Ik een groot deel samen met een Fransman die het op routine deed. Uiteindelijk leverde die eerste rit een tijd op van 1 uur en 15 minuten. Broerlief deed het rustiger en kwam 10 minuten later boven. In de jaren die volgden zou de klim elk jaar minstens één keer op het vakantiemenu staan. Zo makkelijk als de klim die eerste keer ging, zo vreesaanjagend was die eerste keer de afdaling door 21 haarspeldbochten. Pas bij bocht 21 kreeg ik het een beetje door. Remmen kon erg laat; zo’n 50 meter voor de bocht. Die ervaring zou ik pas weer een jaar later kunnen gebruiken.

De Marmotte had me tot aan de Alpe veel moeite gekost. M’n training in dat voorjaar had een duidelijke dip gehad. Kwam allemaal door het kopen van een nieuw huis en de noodzaak om dat nieuwe onderkomen grondig op te knappen. En dat ging ten koste van de broodnodige trainingskilometers. De laatste voorbereiding was een week voor de Marmotte. Met vier fietsvrienden reed ik, de korte (!) versie van Les Trois Ballons. Toch altijd nog 150 kilometers door een natte en koude Elzas. Daarna door naar de Alpen waar we nog wat kilometers maakten en vooral veel lol hadden. De lol kwam van de vanzelfsprekendheid waarmee we met z’n vijven onze sport beleefden en de gereden trainingskilometers van commentaar voorzagen. Lol kwam ook nog van een wedstrijd van Oranje tijdens het EK in eigen land. Vooral de 6-1 tegen Joegoslavië leverde een gedenkwaardige avond op. Die euforische sfeer was een paar dagen later in één klap weg.

Gelukkig mochten we een dag later doen waar we voor gekomen waren; een rit van 175 kom over het rijtje dat half wielrennend Nederland kan dromen; Col de la Croix de Fer, Col du Télégraphe, Col du Galibier en l’ Alpe d’Huez. ‘s Ochtends om net na 6 uur staan we naast de auto in La Garde, drie kilometer op de klim naar de Alpe. Kleumend in een druilerig regentje peuteren we onze fietsen uit de auto. Banden worden nog een keer opgepompt. Schoenen aan, helmen op, de laatste check op alles dat in orde moet zijn. Bidons gevuld en achterzakken vol met voeding. We dalen licht gespannen 3 kilometer af naar de start, waar de term “met de Franse slag” nog een compliment voor is. Een jaar later zie ik bij de Dolomietenmaraton hoe het ook kan.

Iets na 7 uur komt dan eindelijk beweging in de massa van 4300 deelnemers. Mijn vrienden, die inmiddels Marmotte veteranen zijn, hadden me al voorbereid op de gekte na de start. Het blijkt nog gekker te zijn. De eerste 10 kilometer naar de voet van de Col de la Croix de Fer gaan in krap een kwartier. De meute gaat in een dolle gestrekte draf op die eerste klim af. Ook al had ik me voorgenomen me niet gek te laten maken; het gaat vanzelf. En het lijkt geen moeite te kosten. De Croix de Fer gaat redelijk. Gek word ik alleen van die übergesoigneerde Italiaantjes die vrolijk keuvelend langsfietsen. Meer moeite kost me, gewoontegetrouw, de Galibier. De enige keren dat ik die berg lekker reed, waren de ritten waar ik pas in Valloire op de fiets stapte. Genieten doe ik ook, gek genoeg. De verlatenheid en desolate schoonheid van de Galibier blijven indrukwekkend. Ook als ik zit te vloeken vanwege een zeer merkbaar tekort aan training.

Dat het nog erger kan merk ik 2 uur later. De 45 kilometer dalen vanaf het dak van de Marmotte (2645 meter) naar de voet van de Alpe lijken me goed te hebben gedaan. Ik heb gegeten en gedronken. Bij le Clapier haal ik nog wat extra drinken en eten. Met redelijk goede moed begin ik aan de 13 kilometer en 21 bochten. Ergens na La Garde, waarschijnlijk tussen km 4 en 5 begint het. Ik voel me leeg, ook al heb ik geen honger. Zelfs wandelaars lijken sneller omhoog te gaan. Ik voel me slap en alles begint zeer te doen. Ik neem me voor om bij het volgende kilometerbordje even te pauzeren. Als dat bordje in zicht komt, realiseer ik me dat dit voornemen net zo realistisch als absurd is. Realistisch omdat ik me leeg en uitgeknepen voel. Absurd omdat je niet afstapt in een klim. Vooruit, bij een lekke band kan het. Verder niet.

Kilometerbordje 6 laat ik voorbijgaan. Nog geen 100 meter verder voel ik me nog slechter. En weer komt het voornemen in me op om krap 900 meter verderop even te pauzeren. Als km 7 in zicht komt, vervloek ik mezelf. “Lul, klootzak, je stapt niet af!” M’n benen, m’n rug en m’n ingewanden protesteren heftig tegen. Die willen maar één ding. Toch gaat ook bordje 7 traag langs. Ik kom in een ritme; na 100 meter komt het voornemen om even te pauzeren net zo onweerstaanbaar m’n brein binnen als een afloper leegloopt. En elke keer gaat de ratio de strijd met de emotie aan. En wint weer. Tergend langzaam schuift bordje 8 in en uit mijn blikveld.

Zo gaan bordjes 9, 10 en 11 ook langs. M’n brein en lijf hebben blijkbaar geen behoefte aan afwisseling. Korte vloeken en verwensingen werken elke kilometer weer. “Afstappen is voor losers, lul!” En “Klootzak, je vergeeft het je nooit als je nu afstapt!”. Diverse variaties op deze mantra’s werken elke keer. En zo kom ik bij het bordje van de laatste kilometer. Dan gaat het lekker; vooral omdat de laatste kilometer grote stukken vlak en licht vals plat kent. Uitgewrongen rol ik na 9 uur en 38 minuten over de streep. M’n eerste Marmotte zit erop. Volgend jaar weer een goed gesprek!

Goed voorbeeld doet goed volgen. Slecht voorbeeld helaas ook….

Geplaatst onder Samenleven, Sport met tags , , , op 28 februari 2011 door Hans de Gruijter

 

 

En dit drietal video’s is nog maar een magere oogst. Uit twee eredivisie-weekenden drie voorbeelden van wat profvoetballers zoal doen op het voetbalveld. Mijn betoog zal niet gaan over wat ze elkaar aandoen. Ook niet over dat de meeste van die gedragingen , als ze al door de politie worden gezien, je een forse boete en misschien zelfs gevangenisstraf opleveren. Het gaat me om het voorbeeld dat deze professionele sporters hier geven. Een voorbeeld aan duizenden jonge voetballers. En velen van die jonge voetballers hopen ooit net zo goed te worden als hun idolen. Laten we profvoetballers gemakshalve rolmodellen noemen.

Een ander rolmodel, tegen wil en dank, bleek een Betaald Voetbal Organisatie, FC Twente, te zijn. De Tukkers maakten maandag 28 februari ergens halverwege de ochtend bekend dat zij zelf overgingen tot een schorsing van Douglas. Voor 5 wedstrijden. Inclusief de, wellicht, voor het kampioenschap beslissende wedstrijd op 2 april tegen PSV. Want, zo zei FC Twente, wat Douglas deed, hoort niet bij wat wij als FC Twente belangrijk vinden. Klasse! Hulde! Een club die zijn verantwoordelijkheid neemt. Een beetje het braafste jongetje van de klas, maar toch. Het geeft wel aan dat voor FC Twente waarden als sportiviteit, voorbeeldgedrag en verantwoordelijkheid nemen belangrijker zijn dan succes op de korte termijn. En daardoor is FC Twente niet alleen door het vertoonde spel een parel in het Nederlandse voetbal. Dat lieten ze ook al zien met het drankbakkie van The Jansen.

Erg jammer dat de KNVB er nog een schepje bovenop deed. De scherprechters uit Zeist deden het dunnetjes over; 6 wedstrijden. Het siert de Tukkers nog meer dat ze die ophoging zonder morren accepteerden.

Nu PSV. Zij hebben een Zweedse parel in de persoon van Ola Toivonen. Koel, trefzeker, sterk en helaas ook wat gluiperig. Gek dat bij zo’n stapel kwaliteiten ook één weeffoutje wordt meegeleverd. Je ziet het bij meer toppers; Zlatan Ibrahimowic had ook van die geniepige, zoniet smerige streken. Toivonen begint een kwalijke reputatie te krijgen van matennaaier en gluiperd. Hijzelf noch zijn verenging doet er weinig tot niets aan om die reputatie te wijzigen. Er telt maar één doel; de schaal. En dit doel heiligt alle middelen. Wat PSV niet beseft is dat het gedrag van Toivonen én van de clubleiding funest is voor alle jonge voetballertjes voor wie Toivonen een idool, een rolmodel is. Lekker rolmodel. Op voeten gaan staan, ellebogen in gezichten planten en tegenspelers gele en rode kaarten aansmeren.

Wat nog het ergste is dat Toivonen met zijn gedrag en PSV met het nalaten daar iets aan te doen, vele goedwillende sporters en vrijwilligers een klap in hun gezicht geven. De laatste jaren hebben vele voetbalverenigingen initiatieven ontplooid. Initiatieven die ertoe moeten leiden dat jonge voetballers hun sport terug krijgen. Dat zij leren wat sportiviteit is. En dat zoiets al jong begint, jong moet beginnen. Goed voorbeeld helpt daarbij. En hét voorbeeld voor heel voetballend Nederland wordt getoond in het weekend. In 9 wedstrijden laten profs soms hele mooie voorbeelden zien. En te vaak ook hele slechte voorbeelden.

FC Twente begon met een slecht voorbeeld op de zondagmiddag. Vooral Douglas en zijn trainer Preudhomme lieten zien hoe het niet moet. Hun voorzitter, Joop Munsterman, had tijdens de wedstrijd al laten zien dat hij een echte clubvoorzitter is. Hij was de tribune opgegaan om zijn supporters tot rust te manen. En met hen vreugde (om de gelijkmaker) en verdriet (om de winnende treffer van AZ) te delen. Op maandag gaf hij heel voetballend Nederland het goede voorbeeld; Douglas kreeg een schorsing van 5 wedstrijden. En een boete. En de opdracht een, nog nader te bepalen, maatschappelijke activiteit uit te voeren. Prima!

En nu de andere 17 BVO’s. Goed voorbeeld doet goed volgen, hoop ik. Een beetje tegen beter weten in. Op moment dat ik deze blog schrijf nog geen nieuws uit Eindhoven. PSV lijkt het over te laten aan de KNVB. Terwijl ze het voetbal (en ook Toivonen) zouden helpen door hun speler te schorsen. Omdat wat hij gedaan heeft niet past in voetbal.

De gevraagde actie doet wel zeer aan de sportieve ambities. Maar op de lange duur is het een zegen voor het voetbal in Nederland. Een zegen voor al die jonge spelers. Spelers die in uw duurbetaalde profs elke week een rolmodel zien. En een blijk van waardering voor al die clubvrijwilligers die week in week uit hun stinkende best doen. Hun best om kinderen sportiviteit bij te brengen. Is een groot gebaar; met grote gevolgen. Succes voorzitters!

De krant van Joop

Geplaatst onder Sport, Wielrennen met tags , , , op 31 januari 2011 door Hans de Gruijter

Zomer 1980. De laatste keer dat ik de zomervakantie met ouders in Frankrijk doorbracht. Mijn zus had al een paar jaar eerder besloten om zelf haar plan te trekken in de zomers. Dat zorgde wel voor meer ruimte in de auto voor mijn broer en mij. En ruimte voor onze racefietsen. Want dat zouden we gaan doen die zomer. En naar de Tour kijken, het liefst langs de route. En anders wel in de kroeg. Na een paar eendaagse verblijven streken we neer op de camping Domaine du Castex in Aignan; een lief klein dorpje in de Gers. Vooral bekend van de Armagnac. Volgens de lokale bevolking zoiets als Cognac, maar dan beter.

Vandaar zouden we vooral fietsen en wielrennen kijken. Het fietsen ging prima. De streek rond Aignan laat zich het best vergelijken met de Franse Ardennen. Mooi glooiend, niet te hoog en te steil. Wel een stuk warmer. Zolang de Tour nog niet echt dichtbij was, togen we elke dag, na een ochtendlijke trainingsrit, naar de lokale kroeg om daar de live verslagen van de touretappes te kijken. De eerste dagen vonden de stamgasten het prima; zelfs vermakelijk dat twee blonde Nederlandse knullen hun Tour kwamen bekijken. Af en toe een etappe was prima, maar we moesten vooral snappen dat Bernard Hinault weer zou winnen. Na 3 dagen sloeg dat toch iets om. Na 5 dagen werd ons bij binnenkomst lacherig te kennen gegeven dat er vast wel weer een Hollander zou winnen. Vanaf dag 8 werd de sfeer een beetje vijandig. Raleigh bleef maar winnen; 10 etappes op rij. Ritten in lijn, ploegentijdritten en individuele tijdritten. Alles werd gewonnen en alle rijders kregen hun deel.

Tot de dag van de etappe naar Pau. Die zagen we ergens in het Franse landschap. We zagen daar vooral de reclamekaravaan. Dat duurde een uur. De renners waren in één lange kleurrijke en rumoerige streep binnen één minuut voorbij. En toch vonden we het geweldig. We hadden ze gezien. En zelfs wat renners herkend. Die avond kwam voor alles wat Frans was en wielrennen een warm hart toedroeg, een verpletterend bericht. Bernard Hinault verlaat de Tour. Zijn knie liet verder fietsen niet toe.

De dag erna staat de klassieke Pyreneeënetappe op het programma. Aubisque, Tourmalet, Aspin en Peyresourde. Wij moesten en zouden gaan kijken. Op de Aspin. Het weer was druilerig, regen dreigde continu te gaan vallen, maar we hielden het gelukkig droog. Al lang voor de renners langs kwamen stonden wij tussen de laatste huizen van Ste Marie de Campan; het dorpje aan de voet van twee van die vier reuzen; Tourmalet en Aspin. Weer zagen we de ellenlange sliert met reclamevoertuigen. En langzaam steeg de spanning en opwinding. Snel bleek waarom. Mensen met transistorradiootjes wisten te melden dat Raymond Martin op kop lag. Een groep met onder anderen Joop Zoetemelk volgde op een kleine achterstand.

Na wat een eeuwigheid leek kwamen motoren en auto’s aan. De spanning en opwinding nam nog meer toe. En ja, eerst kwam een kleine pezige Fransman in dat roze shirt van Miko langs; Raymond Martin. Wat ons opviel was hoe hard hij reed. Binnen de minuut gevolgd door onze held, Joop! Uitgerekend voor onze neus peutert Joop de krant, die hem warm moest houden tijdens de lange koude afdaling van de Tourmalet, onder zijn shirt vandaan. 

Joop gooit die krant zowat op de voeten van mijn moeder. Wat ertoe leidde dat mijn broer en ik even geen oog meer voor de renners hadden. “Pak die krant!” schreeuwden we uit volle borst. Pas toen we zeker wisten dat dit souvenir goed was opgeborgen, hadden we weer oog voor de koers. Johan van der Velde, Hennie Kuiper en Henk Lubberding hadden we gemist. Dat ze echt waren langs gekomen, zagen we pas thuis, op foto’s die Pa keurig van alle renners had gemaakt.

De finish van die etappe zagen we op TV. In een kroeg ergens langs de route op weg terug naar de camping. Raymond Martin had de opgebouwde voorsprong vastgehouden. Hij de etappe, Joop het geel. De trui die Joop geweigerd had aan te trekken na het vertrek van Hinault. Die Pyreneeënetappe is waarschijnlijk de enige bergetappe geweest zonder een renner in het geel.

De rest is geschiedenis. Raleigh wint nog één etappe (een tijdrit) en brengt de gele trui naar Parijs. Zelfs een afgrijselijke zwieper van Johan van der Velde en daaropvolgende val van Joop verandert daar niets aan.

In de kroeg in Aignan zijn we de rest van de vakantie niet meer geweest.

Een dag later merkten mijn broer en ik dat fietsen in de bergen, echte bergen, wel iets anders is dan in de heuvels. Zeker als je geen bergverzet bij je hebt. Dan doet het echt zeer. Maar we konden wel onze eerste echte col noteren, Col d’Aspin.

De krant zit nog steeds ergens in het vakantiearchief van mijn ouders. Goed opgeborgen. En ondanks herhaald ruiken, hebben we nooit iets kunnen vaststellen dat moest lijken op het zweet van Joop, de laatste Nederlandse tourwinnaar.

Flow

Geplaatst onder Sport met tags , op 23 december 2010 door Hans de Gruijter

Late herfst, misschien wel begin winter 1986. Als ik het typ, realiseer ik me dat het al bijna 25 jaar geleden is. De eerste en, helaas,  tot nu toe ook laatste keer dat ik een runners high meemaakte. Zo noem ik het maar, want ik weet niet zeker of het er inderdaad eentje was. Vergelijkingsmateriaal heb ik niet. Zal ik ooit nooit hebben, want ik kan niet voelen wat een andere loper voelt als hij een runners high meemaakt. Ik hou het erop dat ik er toen ééntje had.

Hoe kwam ik hier nu bij? Mijn gedachten kwamen daarbij uit na het lezen van wat bijdragen van andere bloggers hier op WordPress. Van positieve psychologie tot sporten dat bijdraagt aan bevorderen van geluk. In één van die stukken repte de schrijfster van het hervonden plezier in en welbevinden door sport. Ze sprak van flow; de staat die je lichaam kan bereiken en waarin alles als vanzelf lijkt te gaan. Of zoals  Csikszentmihalyi het beschrijft: “De toestand waarin mensen dermate betrokken zijn bij een activiteit dat ze alles om hen heen vergeten. De ervaring is zó prettig, dat men er vaak veel voor over heeft om die nogmaals te hebben”. Mijn gedachten dwalen af; naar het najaar, wellicht winter van 1986.

Vanaf september dat jaar volgde ik op de toenmalige Luchtmachtofficiersschool (LUOS) op de Vliegbasis Gilze-Rijen, een voortgezette opleiding. Het rooster liep doorgaans van maandag tot en met vrijdag, van ‘s ochtends 8 uur tot ‘s middags half 5. Gelukkig was er twee keer per week sport ingeroosterd. Ergens eind november, begin december viel op het allerlaatste moment een gastcollege uit. Er bleek geen enkele mogelijkheid om dit op te vangen, dus viel ineens een hele woensdagmiddag uit. Een cursusgenoot stelde voor een duurloop te doen in de bossen van Surae, behorend bij de boswachterij Dorst; in de driehoek tussen de Vliegbasis, Oosterhout en Breda. Toen we tegen een uurtje of 3 aan de duurloop begonnen was het aardig grijs geworden. En koud. Niet veel later begonnen de eerste sneeuwvlokken te vallen. Het rondje wat we liepen was een kleine 10 kilometer lang. Door de vallende sneeuw werd het stiller en stiller. Alsof we als enige twee mensen over waren, in dat grote, witte bos.

Aan het eind van het rondje gaf mijn medeloper aan dat hij mij graag met de auto terugbracht naar de basis. Hij zou naar huis rijden, een paar kilometer verderop in Oosterhout. Op mijn vraag daarnaar gaf hij aan dat de basis een goede 4-5 km verderop lag. “ik loop wel terug”, hoorde ik mezelf zeggen. Terwijl ik op dat moment goed voelde dat we er al 10 kilometer op hadden zitten. “Weet je het zeker? Kleine moeite om je terug te brengen”, held mijn collega aan. Ik gaf aan graag terug te lopen. 

Vanaf dat punt was het een kleine 500 meter lopen, het bos uit tot op de Vijfeikenweg. Een kaarsrechte weg, die van de afslag Oosterhout-Zuid van de A27 naar de Vijfeikenpoort van de Vliegbasis Gilze-Rijen loopt. Niet een inspirerende omgeving. Ik had er vanaf dat punt ook eigenlijk geen zin meer in. En nog geen 100 meter verder gebeurde er iets wonderlijks. Ik merkte eigenlijk niet meer dat ik liep en tegelijk hoorde, zag en voelde ik alles. Ik liep en liep en liep. Langzaamaan verhoogde ik mijn snelheid. Als vanzelf. Slechts sporadisch kwam een auto langs, lanzaam rijdend door de gestaag vallende dikke sneeuwvlokken. Ik liep in een stille, witte en wonderschone wereld. Ik was me van alles bewust. Het ritme van mijn passen, mijn ademhaling die moeiteloos doorging. Mijn hartslag die al die tijd onwaarschijnlijk regelmatig bleef. De stilte aan de rand van het bos. De kaarsrechte weg naar de basis. En bovenal het heerlijke gevoel dat lopen oplevert als het geen enkele moeite kost.

Dat gevoel hield aan tot ik begon te denken aan de toegang tot de vliegbasis. In die tijd was de Vijfeikenpoort alleen open voor woon-werkverkeer. Onze duurloop had toch ruim een uur geduurd. En de tocht vanaf Surae tot aan de basis kostte ook tijd. Ik hoopte vurig dat de Vijfeikenpoort nog open zou zijn, omdat het gebouw waar ik moest zijn pal achter die poort lag. Helaas was ik net een minuut of 10 te laat; poort dicht. Er zat niets anders op dan naar de hoofdpoort te gaan. Dat betekende dat ik daarna nog een keer die afstand terug moest lopen om bij mijn gebouw uit te komen. Hier bleek duidelijk dat teleurstellingen vaak voortkomen uit hoog gespannen verwachtingen. De flow was subiet weg. De moeite die de laatste 4 kilometers kostten was (wellicht kwadratisch) omgekeerd evenredig aan het gemak waarmee ik de kilometers langs de Vijfeikenweg had gelopen. De douche na het uitzweten was er des te lekker door. 

Opvoeden? Nee, verzekeren!

Geplaatst onder Opvoeden met tags , , , , op 6 december 2010 door Hans de Gruijter

Elk nadeel heeft z’n eigen voordeel; zo stelt de 1e Wet van Cruyff. Dat speelde vanochtend mee toen ik besloot om, in plaats van met de trein, met de auto naar m’n werk te gaan. Ik weet dat de kans op files levensgroot is tussen Breda en Den Haag. Soms neem ik dat voor lief. En elke keer hoop ik eigenlijk dat er file staat; niet heel veel, maar net genoeg om lang naar Evers Staat Op te luisteren. Zo ook vanochtend. Ik kreeg al luisterend en genietend ook nog inspiratie voor een blog. Het eerste moment kwam tijdens een gesprek dat Edwin had met Dr. Frank Jansen, hoogleraar in de Nederlandse Taal en Letteren aan de Universiteit van Utrecht. Het gesprek ging over schrijffouten in teksten en hoe erg mensen dat vinden. De eerste ingeving die ik kreeg was naar aanleiding van een opmerking over het onderwijs in de Nederlandse taal. De tweede ingeving kwam bij een opmerking van Frank Jansen over “sporen van onvermogen”. En toch gaat ‘t daar niet over.

Ergens in een reclameblok kwam een commercial langs voor een ziektekostenverzekeraar die ik nog niet kende; Kiemer. Wat me opviel, of beter gezegd, ergerde aan die commercial was de tekst. “Je kind is altijd nummer 1. Ook als het te dik is. Daarom zit de vergoeding voor beweegprogramma’s in de dekking van Kiemer”. Of woorden van deze strekking. Als een verzekeringsmaatschappij zoiets aanbiedt, zal, nee moet er een markt voor zijn. Uiteraard is er een markt voor; de berichten over (teveel) zwaarlijvigheid bij (te jonge) kinderen verschijnen steeds vaker. De oplossing is dus, volgens Kiemer, een verzekering afsluiten. Uiteraard. Kind tevreden, want dat mag eten en snoepen zoveel het wil. Ouders blij, want zij hoeven geen nee te zeggen tegen een kind dat om snoep bedelt. En Kiemer tevreden omdat het omzet genereert.

Het verbieden van dit verzekeringsproduct kan niet. Dat is ook niet wat ik wil propageren. Laten ouders weer ‘s ouderwets gaan opvoeden. Dat is mijn devies. Regels aangeven. Grenzen stellen. Nee zeggen. En uiteraard ook ja zeggen als dat kan en past. Complimenteren als je kind iets goeds doet. Als het leert, als het zich ontwikkelt. Maar bovenal Structuur, Spelregels en Stabiliteit (SSS). Ik heb deze variant op het aloude RRR (Rust, Reinheid en Regelmaat) in een van mijn vorige blogs geïntroduceerd. Is het iets nieuws dan? Nee, gewoon oude wijn in nieuwe zakken. ‘t Is inmiddels vele malen onderzocht en aangetoond dat kinderen gedurende hun gehele ontwikkeling baat hebben bij structuur, regels, regelmaat en grenzen. Jammer dat dit waardevolle adagium RRR is gesneuveld, toen we allerlei oude en achterhaalde zaken van onze (voor)ouders bij het vuilnis hebben gezet.

Dus: ouders neem je taak als opvoeder serieus. Niet omdat ik het zeg. Omdat jullie kinderen dat nodig hebben om op te groeien tot gezonde, sociale en waardevolle leden van onze maatschappij. Die kans krijgen ze als ze leren wat grenzen zijn en waarom die er zijn. Die kans krijgen zij als ze leren wat gezond eten is en waarom dat belangrijk is. Die kans krijgen ze als ze leren veel en afwisselend te bewegen en waarom dat belangrijk is. Maar laat vooral (een niet onbelangrijk deel van) hun gezondheid niet over aan een marktpartij als een verzekeraar!

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.