Nog steeds kan ik ‘t niet hebben. Als ik er aan terug denk, kom ik gelijk in de zeldzame stemming dat ik alle Fransozen over één kam scheer. Niet te vertrouwen, slechte organisatoren, niks savoir-vivre. En dat allemaal vanwege bijna 100 tellen. Om precies te zijn, 98 seconden die ze me door de neus boorden op zaterdag 7 juli 2001. Eigenlijk meer. Mijn fietscomputer stond bij de finish echt op 7h57’06″ stil. Dus werd ik nog grover bestolen; 272 tellen te veel. Terwijl ik met 7h59’59″ al heel blij zou zijn geweest.
De 2001 editie van de Marmotte kende bijna winterse weersomstandigheden. Bij de start regen en de thermometer stond stil bij 10 graden. En de daaropvolgende 4-5 uur werd het niet droog. Op de toppen van de Col de la Croix de Fer en zeker de Col du Galibier was het helemaal bar. Later hoorde ik dat het op het dak van de ronde slechts 1 graad boven nul was geweest. Ik zag hevig trillende wielrenners van de fiets getild worden. Door de kou bevangen en grijs van ellende werden ze liefdevol warme auto’s ingedragen. Ik zag het gebeuren en vroeg me af wanneer het mij zou gebeuren.
In de afdaling van de Croix de Fer hield ik het verbazingwekkend lang vol zonder te klappertanden. Pas in het tweede deel begon het trillen en klappertanden. En was het niet te stoppen. Iets langzamer dan mijn tanden, klapperde in mijn hoofd een mantra mee. “Blijf kijken, blijf sturen, blijf remmen, blijf kijken, blijf sturen, blijf remmen”.
Tijdens de klim naar de eerste col was ik al de hele tijd met mijn gedachten bij de afdaling. Hoe zou dat gaan? Zou ik nog kunnen remmen? Zouden mijn handen niet compleet verkleumd raken? Ik reed in behoorlijk zomers tenue (zie foto). Alleen een windstopper en mouwstukken waren de aanvulling op het normale “zomertenue”. In de klim reed ik me warm, nergens last van. Pas in de onderste helft van de afdaling van de Croix de Fer begon het dus. Niet te stoppen. Rillen, trillen en klappertanden. Zo erg dat ik bang was van de fiets te stuiteren.
In het dal op weg naar de Télégraphe was het merkbaar warmer. Al zal het daar ook niet meer dan een graad of 12 zijn geweest. Genoeg om weer op temperatuur te komen. Warmer kreeg ik het ook in de 12 kilometer lange klim van de Télégraphe. En gelukkig is de afdaling van de top van de Télégraphe naar Valloire maar 5 kilometer. Maar daar begon het trillen ook direct zodra de weg ophield te stijgen.
Van de 17 kilometer klimmen naar 2651 meter hoogte kreeg ik het warm genoeg om zonder noemenswaardige problemen door te fietsen. En ik bleef alert genoeg om alle verkleumde fietsers te zien. En me te verbazen over het feit dat het hen wel overkwam en mij niet. Althans, niet in de klim. Ik was koud 50 meter over de top, de snelheid kwam net boven de 30 per uur uit, of het trillen begon weer. En hield de 45 kilometer naar de voet van Alpe d’Huez ook niet meer op. Werd zelfs ook erger door een 10 minuten durende hoosbui op het stuk tussen La Grave en het Lac du Chambon. In plaats van lekker losrijden, moest ik hier volle bak rijden om het niet weer vreselijk koud te krijgen.
De neiging om bij Le Clapier linksaf te slaan werd groter en groter. Zeker omdat ons hotel in Vénosc voorzien was van een sauna. Warm worden, dat is wat ik wilde. Tot een blik op mijn fietscomputer mij leerde dat ik “pas” 6 1/2 uur onderweg was. Als ik ooit de kans zou hebben om de Marmotte binnen de 8 uur te rijden, was het nu. Een korte stop bij le Clapier om overbodige kleding (had ik die dan?) af te geven en nog wat water en eten mee te nemen. Toen door naar de Alpe. Een jaar eerder was ik al pratend en vloekend omhoog gereden. De eerste 3 kilometer tot aan La Garde gingen zowaar lekker. Bij La Garde haalde ik ook fietsmaatje K. in. Ik had K. op het vlakke al nooit bij kunnen houden, laat staan in de heuvels en bergen. Hier haalde ik hem bij. En in.
Ik had hem al eerder gezien; in de bocht van Plan Lachat halverwege op de Galibier stond hij voor de 6e keer te pissen. Dat verklaart dat ik hem weer bijhaalde. De rest van de Galibier reed hij weer sneller. In de afdaling van de Lautaret kreeg ik hem weer in ‘t vizier. Bij Le Clapier reed hij net voor me weg. “Tot boven”, riep ik hem nog na. Geen van tweeën kon toen weten dat het waar zou blijken, alleen andersom…..
Op de eerste kilometer na La Garde praten we even. “We gaan voor een tijd binnen de 8 uur!”, houd ik hem voor. “Lukt niet”, geeft hij aan. “Jawel, ik weer. “We hebben nog 52 minuten voor 10 kilometer”. Ik bleek zelfs nog te kunnen rekenen op dat moment. “We hoeven alleen maar 12 per uur te rijden, dan houden we nog over. En alles sneller dan 12 per uur geeft ons een tijd sneller dan 8 uur”. “Jaja”, was alles dat hij zei.
Ik zet me op kop en roep nog dat hij mijn wiel moet houden. Al binnen 500 meter zie ik dat hij 5 meter heeft. Weer 500 meter verder is het gat al 100 meter. Licht verward rijd ik verder. Wat gebeurt hier? Ik rij hem los. Op de Alpe, nota bene! Omdat mijn teller geruststellende informatie blijft geven, ga ik niet tot het uiterste. In het dorp aangekomen, geef ik toch wat gas bij; daar gaat het ook. Na de paar slingers en een klein stukje vals plat, draai ik over de rotonde naar de finish. En druk m’n computer stil op 7h57’06″. Om drie dagen later op internet (zo snel ging dat toen) te zien dat de Fransen me 4,5 minuut hadden genept!
De, nog steeds, schrale troost was drievoudig. Ik leerde dat kou en vocht geen invloed op me heeft. Ik had K. voor ‘t eerst (en tot nu laatst) van onze gezamenlijke fietsloopbaan uit het wiel gereden. En dat de klim naar Alpe d’Huez in een verbijsterende 56 minuten was gegaan. Maar die tijd van 8h01’37″ blijft staan. K*t Fransozen!



