Archief voor Herinneringen

Overlevers?

Geplaatst onder Algemeen, Opvoeden, Samenleven met tags , op 11 augustus 2011 door Hans de Gruijter

Het triest stemmende weer van zomer 2011 kan wel iets luchtigs gebruiken. Vooral lezers met een geboortedatum van voor 1975, zullen sommige stukken met een glimlach van herkenning lezen. Hoe luchtig het ook is, veel, zo niet alle punten zetten je wel aan het denken over of alles wat we nu normaal vinden wel terecht zo normaal wordt gevonden.

Nee, ik ben geen fervent aanhanger dan wel gebruiker van de kreet “vroeger was alles beter”. Dat is namelijk niet zo. Het is wel zeer verfrissend om in de waan van 21e eeuwse dagen stil te staan bij wat we doen. Dit lijstje kan daar bij helpen. Veel plezier.

Voor ik het vergeet; ik kreeg dit lijstje ooit via de mail. Ik weet niet meer van wie. Mocht iemand zich zeer benadeeld voelen dat ik het hier zonder bronvermelding publiceer; neem contact op en ik zal de juiste bron vermelden.

Hoe is het in godsnaam mogelijk dat wij als geborenen in de 60-er/begin 70-er jaren, nog leven? Volgens de theorieën anno 2011 zouden we toch al lang dood moeten zijn?

Veiligheid

  • Wij zaten in auto’s zonder veiligheidsstoeltjes, gordel of airbag. Onze bedden en speelgoed waren geschilderd met verf vol lood en cadmium.
  • Boven aan een trap was géén hekje; wie te ver ging, kukelde naar beneden. Als je wakker werd in bed hoorde niemand dat, en als er écht iets was moest je hard schreeuwen voordat je ouders het merkten.
  • Flessen met gevaarlijke stoffen en alle apotheekflessen konden we gewoon met onze handjes en beperkte motoriek openen.
  • Poorten en deuren gingen gewoon dicht, en als je met je vingers ertussen zat waren ze weg.
  • Op de fiets zat je achterop met je gat op de bagagedrager en probeerde je vast te houden aan de schroefveren van het zadel voor je.
  • Een helm hadden ze nog niet eens op een bromfiets, laat staan op een fiets.
  • Op school hadden ze maar één maat bank en met zo’n heerlijk gevaarlijke klep er aan.
  • We hebben ons gesneden, botten gebroken, tanden uitgevallen en er werd niemand voor naar de rechter gesleept. Dat waren gewoon ‘ongelukken’ en soms kreeg je er ook nog zelf een extra pak slaag voor.
  • Wij gingen met de fiets naar school, helemaal zelf, ook in de winter! Als je moeder aan de huisdeur nog naar je zwaaide was je al een watje!

Voedsel

  • Water dronken we uit de kraan, niet uit een fles. Brood stond stijf van conserveringsmiddelen, na twee weken was een Bums nog nét zo vers als in de winkel.
  • Kleur en smaakstoffen moeten ook toen al bestaan hebben, want zo rood, groen of geel als die limonade (Exota!) toén was, zie ik ze nu écht niet meer.
  • Een kauwgom legde je ‘s avonds op het nachtkastje en stak je ‘s morgens weer in je mond.
  • We smeerden onze boterhammen zelf, met een grote mensen mes, en als je ze vergeten had kon je op school niets kopen! Als je de korst niet at, had je een beetje meer honger de rest van de dag.
  • Wij aten ook al koekjes en kregen brood met veel boter en werden toch niet dik.
  • We dronken uit dezelfde fles als onze vrienden en niemand werd er ziek van.

Vrije tijd

  • We gingen ‘s morgens weg van huis en we kwamen terug als de straatverlichting aan ging. Niemand wist waar we waren in de tussentijd en we hadden geen GSM mee!
  • Het bos of een park was een plek om te spelen en géén vieze mannetjesverzamelplek.
  • Als we naar een vriendje gingen, liep je er gewoon naar toe, je hoefde niet aan te bellen en ook geen afspraak te maken. Er ging ook geen volwassene met je mee.
  • Wij hadden geen Wii, Playstation, Nintendo, X-box, 64 televisiezenders, DVD’s, streaming video, MP3′s, eigen televisies, computer, iPhone, iPad, Hyves, Facebook of Twitter. Wij hadden vrienden!
  • De televisiezender begon pas om 18.00 uur. Dan kwam een uurtje wat leuks voor kinderen en oh wee als je daarna durfde op te staan om op een knopje van een andere zender te duwen (die zaten aan het toestel vast). Pa bepaalde wat en hoe lang je daarna nog keek.
  • Wij vochten en sloegen elkaar soms groen en blauw en er was geen volwassene die zich er druk over maakte, laat staan dat een lieveheersbeestje op je jas kroop.
  • Pedagogisch verantwoord speelgoed maakten we zelf; met stokken sloegen we naar ballen, we bouwden zeepkisten en merkten onder aan de berg dat we de rem vergeten hadden.
  • We voetbalden op straat, en alleen wie goed was mocht mee doen; wie niet goed genoeg was moest maar blijven kijken en leren omgaan met teleurstellingen.

Opvoeding

  • Op school zaten ook domme kinderen. Zij gingen en kwamen op dezelfde tijd als wij en kregen de zelfde lessen. Zij deden soms een klas nóg een jaar en daarover waren ook geen discussies op ouderavonden. De meester had altijd gelijk.
  • Schoenen waren meestal al ingedragen door broer, zus, neef of zo, en ook je fiets was óf te groot óf te klein. Een fiets had geen versnellingen en als een band kapot was leerde je vader je zo snel mogelijk om hem zelf te plakken.
  • Als je problemen veroorzaakt had, waren je ouders het eens met de politie. Ze kwamen wél om je te halen, maar niet om je er uit te lullen. Onze daden hadden consequenties. Dat was duidelijk en je kon je niet verstoppen. Wij hadden vrijheid, mislukkingen, succes en verantwoordelijkheid.
  • We hebben moeten leren er mee om te gaan. Onze generatie heeft véél mensen voortgebracht die problemen kunnen oplossen, innovatief bezig zijn en daar bij risico durven nemen en voor de gevolgen instaan.
Opmerkingen, aanvullingen, herinneringen en alle overige reacties zijn uiteraard van harte welkom.

Koude kriebels

Geplaatst onder Samenleven, Wielrennen met tags , , , op 11 mei 2011 door Hans de Gruijter

Maandag 9 mei begon zoals maandagen vaak beginnen. Terugkijken op een lekker weekend. Tevreden vanwege ‘t mooie weer, het fietsen, ‘n beetje lummelen, het sleutelen aan racefiets en mountainbike en kranten lezen. En natuurlijk de eerste etappes van de Giro kijken. Maandag 9 mei hield helaas snel op een gewone maandag te zijn. Om kwart over 9 krijg ik via de mail te horen dat P. is overleden. Deze oud-collega is in januari 2010 met leeftijdsontslag gegaan. Eind 2010 werd een tumor in zijn darmen vastgesteld. Na veel overleg en afwegingen wordt deze tumor half maart verwijderd. Vanaf dat moment leeft P. met zijn gezin en al zijn naasten tussen hoop en vrees. Net als deze gevoelens op en neer gaan, gaat ook zijn herstel. Dan weer licht positief, dan weer zorgelijk. Tot op woensdag 4 mei het “vonnis” volgt. Uitzaaiingen overal en nog maximaal 3 maanden te leven. Ik hoor het bijna uit de eerste hand. Ik belde net zijn vrouw om te vragen of bezoek in het ziekenhuis op vrijdag 6 mei schikte….

De kriebels schieten door m’n lijf en gaan voorlopig niet weg. Ik zie P. voor me. Een sterke man, beer van een vent. Hartelijk, recht voor z’n raap, trouw en vol plannen voor de jaren na z’n tijd bij Defensie. Samen met zijn vrouw; weg in zijn net eigenhandig verbouwde camper. En nu veroordeeld tot een beperkt aantal dagen. Zijn vrouw klinkt sterk; “Je bent welkom bij ons thuis, we gaan nog proberen een leuke tijd van die laatste maanden te maken”. Ik neem me voor op 6 mei in plaats van naar het ziekenhuis, naar hun huis te gaan.

Dat voornemen kan op 5 mei overboord; P. is te ziek. Als bezoek al mogelijk is, dan eerst familie. Uiteraard. Hij verlaat soms mijn gedachten, maar nooit voor lang. Ik probeer me voor te stellen wat de ziekte en 7 weken ziekenhuis hebben overgelaten van dat sterke, grote lijf. Het lukt me niet goed, en ik vind dat niet eens erg. Ik hou het liefst dat oude beeld voor me.

Maandag 9 mei blijkt dat P. van die 3 maanden net 4 dagen gegund zijn geweest. Misschien ook beter; de 7 weken in het ziekenhuis waren al een bezoeking voor hem geweest.

De maandag gaat tergend langzaam voorbij. In de loop van de middag vang ik flarden op van het verloop van de 3e etappe van de Giro. Ergens vang ik op dat er een ernstige val is. Ik besteed er verder weinig aandacht aan, m’n gedachten zijn elders. In de trein kan ik met moeite de gedachten bij een boek houden.

Als ik thuis kom en op het punt sta te gaan koken voor zoonlief en mijzelf, check ik de twitterstream van @ProcyclingLive. Weer die kriebels door m’n lijf; Wouter Weylandt, hij was het van die ernstige val, heeft het niet overleefd. Mijn gedachten gaan terug naar die bloedhete zomer van 1995. De val van Fabio Casartelli in de afdaling van de Portet d’Aspet. De beelden van een levenloos rennerslijf met een stroom bloed over gitzwart asfalt. De waanzin van een topsportevenement dat “gewoon” doorgaat.

In de loop van de avond zie ik af en toe beelden. Ik merk dat ik wel wil weten wat er gebeurd is met Wouter Weylandt, maar beelden hoeven niet. De beelden van Jens Voigt die in de tour van 2009 een gruwelijke valpartij meemaakt in de afdaling van de Petit St Bernhard doen mijn maag nog steeds omdraaien. Jens Voigt kan het navertellen en fietst weer. Tijdens Holland Sport van maandagavond laat Wilfried de Jong zien dat je goede en respectvolle TV kan maken rond zo’n vreselijke gebeurtenis. Tranen prikken achter m’n ogen.

De dinsdag verloopt redelijk normaal. Voor zover een dag normaal is als een dag eerder 2 sterfgevallen bekend zijn geworden. Ik zie niets van de Giro; krijg wel iets mee van de geneutraliseerde etappe. Ik verheug me op de rest van de week; ik heb een paar vakantiedagen genomen. Zoonlief heeft meivakantie en we gaan leuke dingen doen. In m’n agenda had ik al de 5e etappe van de Giro omcirkeld. De heroïsche tocht over de Strade Bianchi in de 2010 editie doet hopen op iets vergelijkbaars.

In de loop van de dinsdag en woensdag verschijnen op Het is koers! zeven mooie bijdragen over een gruwelijk wielerongeval. Ik lees ze allemaal. Ze helpen me om beeld, verhaal en gevoelens met elkaar te laten rijmen.

Zoonlief begint gelukkig, langzaamaan een interesse voor wielrennen te ontwikkelen. We zetten ons daarom rond 3 uur voor de tv. Lange tijd is er niet veel te beleven. Totdat de koers echt begint met de passage over de nu gortdroge strade bianchi. In het laatste uur worden we allebei enthousiast; Rabo doet het goed en is met 3-4 man vooraan vertegenwoordigd. Bram Tankink gaat op jacht en krijgt pech. Pieter Weening neemt over en krijgt een serieuze kans op winst.

Het enthousiasme wordt beetje bij beetje euforie. Weening gaat voor het eerst sinds 1999 voor een NL zege in de Giro zorgen. Tot de regisseur kiest voor een shot achter de achtervolgers. Op een kaarsrecht stuk zien we een renner keihard tegen de grond gaan. In een flits herken ik het oranje-blauw van Rabo. Ik krijg het warm en koud tegelijk als de renner roerloos blijft liggen. De kriebels van de maandag komen in hevigheid terug als hulpverleners druk bewegend bij de renner komen. M’n hart slaat op hol als ik één van die helpers bewegingen zie maken die maar één ding betekenen; hartmassage. Ook de commentatoren van Sporza paniekéren; “Nee, niet weer!”

Ik voel zoonlief verstrakken op m’n schoot; “Papa, gaat die renner nu dood?”. Ik weet niet wat te zeggen. Hoop dat er beweging komt in dat stille lijf. De regisseur blijft lang bij dat beeld, voor mij te lang. Gelukkig blijft de cameraman op afstand. Rondom het tafereel is paniek; mannen rennen, bewegen, gebaren. En nog steeds geen beweging. Beelden van Casartelli, Weylandt, schieten door mijn hoofd. Ook denk ik aan de talloze malen dat ik zelf op mijn racefiets met 60, 70, 80 km/u een afdaling in ging. En wat het zou zijn als zoonlief te horen zou moeten krijgen dat…..

Op dat moment zie ik een arm bewegen. En op dat moment schakelt de regisseur naar de koers. Dan pas ben ik in staat zoonlief te vertellen dat het allemaal goed komt. Dat die renner niet dood gaat. Dat het echt allemaal goed komt. Helemaal zeker ben ik daar niet van. Waar ik zeker van ben is dat ik hoop dat het bij dat ene gruwelijke ongeluk van maandag blijft.

Hoe hard de wielersport en het leven is, blijkt als nog geen 15 minuten later Pieter Weening voor Nederlands en Rabo succes zorgt. Dubbel wordt het als blijkt dat hij niet alleen de etappe wint, maar ook het roze aan mag trekken. Het is dan nog niet op. Steven Kruijswijk pakt de witte trui van het jongerenklassement. Hun ploegmaat Tom Jelte Slagter, hij was de ongelukkige, is dan op weg naar het ziekenhuis.

Mijn gedachten blijven de hele tijd bij P., Wouter Weylandt en Tom Jelte Slagter. Ik wacht en zoek net zolang in allerlei nieuwsfora tot ik zekerheid heb dat deze jonge prof de dagen krijgt om het wel na te vertellen. Dan gaat het leven ook bij zoonlief en mij door. “Wat eten we, papa?” helpt mij om de draad weer op te pakken.

8h01’37″ volgens Franse tijdwaarneming….

Geplaatst onder Wielrennen met tags , , , op 15 april 2011 door Hans de Gruijter

Marmotte 2001

Nog steeds kan ik ‘t niet hebben. Als ik er aan terug denk, kom ik gelijk in de zeldzame stemming dat ik alle Fransozen over één kam scheer. Niet te vertrouwen, slechte organisatoren, niks savoir-vivre. En dat allemaal vanwege bijna 100 tellen. Om precies te zijn, 98 seconden die ze me door de neus boorden op zaterdag 7 juli 2001. Eigenlijk meer. Mijn fietscomputer stond bij de finish echt op 7h57’06″ stil. Dus werd ik nog grover bestolen; 272 tellen te veel. Terwijl ik met 7h59’59″ al heel blij zou zijn geweest.

De 2001 editie van de Marmotte kende bijna winterse weersomstandigheden. Bij de start regen en de thermometer stond stil bij 10 graden. En de daaropvolgende 4-5 uur werd het niet droog. Op de toppen van de Col de la Croix de Fer en zeker de Col du Galibier was het helemaal bar. Later hoorde ik dat het op het dak van de ronde slechts 1 graad boven nul was geweest. Ik zag hevig trillende wielrenners van de fiets getild worden. Door de kou bevangen en grijs van ellende werden ze liefdevol warme auto’s ingedragen. Ik zag het gebeuren en vroeg me af wanneer het mij zou gebeuren.

In de afdaling van de Croix de Fer hield ik het verbazingwekkend lang vol zonder te klappertanden. Pas in het tweede deel begon het trillen en klappertanden. En was het niet te stoppen. Iets langzamer dan mijn tanden, klapperde in mijn hoofd een mantra mee. “Blijf kijken, blijf sturen, blijf remmen, blijf kijken, blijf sturen, blijf  remmen”.

Tijdens de klim naar de eerste col was ik al de hele tijd met mijn gedachten bij de afdaling. Hoe zou dat gaan? Zou ik nog kunnen remmen? Zouden mijn handen niet compleet verkleumd raken? Ik reed in behoorlijk zomers tenue (zie foto). Alleen een windstopper en mouwstukken waren de aanvulling op het normale “zomertenue”. In de klim reed ik me warm, nergens last van. Pas in de onderste helft van de afdaling van de Croix de Fer begon het dus. Niet te stoppen. Rillen, trillen en klappertanden. Zo erg dat ik bang was van de fiets te stuiteren.

In het dal op weg naar de Télégraphe was het merkbaar warmer. Al zal het daar ook niet meer dan een graad of 12 zijn geweest. Genoeg om weer op temperatuur te komen. Warmer kreeg ik het ook in de 12 kilometer lange klim van de Télégraphe. En gelukkig is de afdaling van de top van de Télégraphe naar Valloire maar 5 kilometer. Maar daar begon het trillen ook direct zodra de weg ophield te stijgen.

Van de 17 kilometer klimmen naar 2651 meter hoogte kreeg ik het warm genoeg om zonder noemenswaardige problemen door te fietsen. En ik bleef alert genoeg om alle verkleumde fietsers te zien. En me te verbazen over het feit dat het hen wel overkwam en mij niet. Althans, niet in de klim. Ik was koud 50 meter over de top, de snelheid kwam net boven de 30 per uur uit, of het trillen begon weer. En hield de 45 kilometer naar de voet van Alpe d’Huez ook niet meer op. Werd zelfs ook erger door een 10 minuten durende hoosbui op het stuk tussen La Grave en het Lac du Chambon. In plaats van lekker losrijden, moest ik hier volle bak rijden om het niet weer vreselijk koud te krijgen.

De neiging om bij Le Clapier linksaf te slaan werd groter en groter. Zeker omdat ons hotel in Vénosc voorzien was van een sauna. Warm worden, dat is wat ik wilde. Tot een blik op mijn fietscomputer mij leerde dat ik “pas” 6 1/2 uur onderweg was. Als ik ooit de kans zou hebben om de Marmotte binnen de 8 uur te rijden, was het nu. Een korte stop bij le Clapier om overbodige kleding (had ik die dan?) af te geven en nog wat water en eten mee te nemen. Toen door naar de Alpe. Een jaar eerder was ik al pratend en vloekend omhoog gereden. De eerste 3 kilometer tot aan La Garde gingen zowaar lekker. Bij La Garde haalde ik ook fietsmaatje K. in. Ik had K. op het vlakke al nooit bij kunnen houden, laat staan in de heuvels en bergen. Hier haalde ik hem bij. En in.

Ik had hem al eerder gezien; in de bocht van Plan Lachat halverwege op de Galibier stond hij voor de 6e keer te pissen. Dat verklaart dat ik hem weer bijhaalde. De rest van de Galibier reed hij weer sneller. In de afdaling van de Lautaret kreeg ik hem weer in ‘t vizier. Bij Le Clapier reed hij net voor me weg. “Tot boven”, riep ik hem nog na. Geen van tweeën kon toen weten dat het waar zou blijken, alleen andersom…..

Op de eerste kilometer na La Garde praten we even. “We gaan voor een tijd binnen de 8 uur!”, houd ik hem voor. “Lukt niet”, geeft hij aan. “Jawel, ik weer. “We hebben nog 52 minuten voor 10 kilometer”. Ik bleek zelfs nog te kunnen rekenen op dat moment. “We hoeven alleen maar 12 per uur te rijden, dan houden we nog over. En alles sneller dan 12 per uur geeft ons een tijd sneller dan 8 uur”. “Jaja”, was alles dat hij zei.

Ik zet me op kop en roep nog dat hij mijn wiel moet houden. Al binnen 500 meter zie ik dat hij 5 meter heeft. Weer 500 meter verder is het gat al 100 meter. Licht verward rijd ik verder. Wat gebeurt hier? Ik rij hem los. Op de Alpe, nota bene! Omdat mijn teller geruststellende informatie blijft geven, ga ik niet tot het uiterste. In het dorp aangekomen, geef ik toch wat gas bij; daar gaat het ook. Na de paar slingers en een klein stukje vals plat, draai ik over de rotonde naar de finish. En druk m’n computer stil op 7h57’06″. Om drie dagen later op internet (zo snel ging dat toen) te zien dat de Fransen me 4,5 minuut hadden genept!

De, nog steeds, schrale troost was drievoudig. Ik leerde dat kou en vocht geen invloed op me heeft. Ik had K. voor ‘t eerst (en tot nu laatst) van onze gezamenlijke  fietsloopbaan uit het wiel gereden. En dat de klim naar Alpe d’Huez in een verbijsterende 56 minuten was gegaan. Maar die tijd van 8h01’37″ blijft staan. K*t Fransozen!

10 Dingen waar ik van weet dat ze waar zijn.

Geplaatst onder Leren en ontwikkelen, Social Media met tags , , , op 26 maart 2011 door Hans de Gruijter

Soms kom ik direct ter zake. Dit keer neem ik een aanloopje. Uiteindelijk kom ik wel bij uit bij “10 dingen waar ik van weet dat ze waar zijn”. Maar dan toch ff anders dan je nu wellicht denkt. Cryptisch? Ja! Daarom snel met de aanloop beginnen.

Precies 4 weken geleden stond 7 Days of Inspiration op het punt van beginnen. Een gecrowdsourced project dat als doel had om in één week Nederland mooier te maken door sociale overwaarde te benutten. Meer tekst en uitleg in een mooi filmpje dat op die site staat. Ik deed mee aan één specifiek onderdeel van de woensdag in die week. De woensdag had als thema werk. Eén van de activiteiten op die dag was “de dag van de waardering“. Over mijn betrokkenheid schreef ik eerder een blog. In de voorbereiding op die dag troffen vele trainers elkaar in Utrecht. Eén van de aanwezigen gaf me een mooi compliment; “Jij bent een echte ambassadeur van de waarderende benadering”. Ik wilde eerst ontkennen, of in ieder geval de uitspraak wat afzwakken. Ik zag mezelf helemaal niet zo. Mijn gesprekspartner gaf wat voorbeelden om haar bewering te onderbouwen. En daardoor werd het voor mij ook duidelijker. Dit gezichtspunt van een ander leidde tot een andere manier van naar mezelf kijken.

Donderdag 24 maart. In de Argumentenfabriek te Amsterdam vindt een ambassadeursbijeenkomst plaats voor “Helder Denken in School”. Initiatiefnemer voor die bijeenkomst is Kees Kraaijeveld, (mede)directeur van de Argumentenfabriek en schrijver van het boek Helder Denken. Een artikel in de Volkskrant over dat boek van vorig jaar november wekte mijn interesse. Ik schreef daar al een keer over. Vooral de oproep van Kees aan ambassadeurs voor dat Heldere Denken, klonk goed. Via mails, een bezoek en een LinkedIn groep kwam het tot de bijeenkomst op 24 maart. Ook tijdens die avond kreeg ik van Kees Kraaijeveld het compliment dat ik echt een ambassadeur ben. De verbazing was minder dan de keer een maand eerder. Het voelde alleen nog niet helemaal van mezelf. Het zette me wel aan het nadenken.

In dezelfde week als de bijeenkomst over Helder Denken zag ik een blog van Coherent Solutions op twitter langskomen. Dirk van Mulligen stelt daar een leuke vraag (“Welk boek had je 10 jaar eerder willen lezen?”) en ik heb daarop gereageerd. Er waren meer reacties. De teller staat tijdens het schrijven van mijn blog op 9. Een idee kwam toen bij me op. In een TED talk die ik eerder zag vertelt Sarah Kay over “spoken word poetry”. Eén deel van haar verhaal haakte aan bij het idee dat bij mij was ontstaan na het lezen van de blog van Dirk.

Het gaat over de lijstjes die Sarah noemt. Lijstjes die mensen maken, kunnen (uiteindelijk) leiden tot mooie verhalen. Een vraag die Sarah vaak gebruikt om mensen lijstjes te laten maken, is: “10 dingen waar je van weet dat ze waar zijn”. Als in een groep mensen iedereen zo’n lijst maakt, en daarna deelt met de anderen, zijn er 4 mogelijkheden:

  1. Je hoort of leest iets dat precies gelijk is aan één van jouw waarheden op je lijst. Of er heel erg op lijkt;
  2. Je hoort of leest iets dat precies het tegenovergestelde is van één van jouw waarheden;
  3. Je hoort of leest iets dat volslagen nieuw voor je is;
  4. Je hoort of leest een volslagen nieuw gezichtspunt bij één van jouw waarheden.

Ik wil nu ‘s kijken of ik hier een ambassadeur kan worden. Het uitdragen van een groeiend aantal lijstjes met “10 dingen waar ik van weet dat ze waar zijn”. In de hoop dat mensen die hier hun lijstje schrijven en de lijstjes van anderen lezen, mogelijkheden zien om verhalen te schrijven. Of in contact komen met gelijkgestemden, of juist met hun tegenpolen, of met aanvullers, of met…. Noem maar op.

Wat is jouw lijstje met “10 dingen waar ik van weet dat ze waar zijn?” Schrijf ‘m als reactie onder deze blog. Vind je de blog en het idee leuk? Post deze blog dan op jouw LinkedIn pagina, op Facebook, op Twitter, of waar je ‘m ook maar wilt aanbevelen. Alvast bedankt en veel plezier!

21 Bochten en een goed gesprek met jezelf

Geplaatst onder Wielrennen met tags , , , op 21 maart 2011 door Hans de Gruijter

Zaterdag 1 juli 2000. Uur of drie ‘s middags. De Marmotte is dan een uur of 8 onderweg. Drie cols achter de rug, nog één te gaan; Alpe d’Huez. Een klim die ik bijna kan dromen. Ooit de eerste grote berg die ik in de Alpen reed. In 1981 reed ik met m’n broer die fameuze Nederlandse berg op. In alle rust reden we omhoog, Ik een groot deel samen met een Fransman die het op routine deed. Uiteindelijk leverde die eerste rit een tijd op van 1 uur en 15 minuten. Broerlief deed het rustiger en kwam 10 minuten later boven. In de jaren die volgden zou de klim elk jaar minstens één keer op het vakantiemenu staan. Zo makkelijk als de klim die eerste keer ging, zo vreesaanjagend was die eerste keer de afdaling door 21 haarspeldbochten. Pas bij bocht 21 kreeg ik het een beetje door. Remmen kon erg laat; zo’n 50 meter voor de bocht. Die ervaring zou ik pas weer een jaar later kunnen gebruiken.

De Marmotte had me tot aan de Alpe veel moeite gekost. M’n training in dat voorjaar had een duidelijke dip gehad. Kwam allemaal door het kopen van een nieuw huis en de noodzaak om dat nieuwe onderkomen grondig op te knappen. En dat ging ten koste van de broodnodige trainingskilometers. De laatste voorbereiding was een week voor de Marmotte. Met vier fietsvrienden reed ik, de korte (!) versie van Les Trois Ballons. Toch altijd nog 150 kilometers door een natte en koude Elzas. Daarna door naar de Alpen waar we nog wat kilometers maakten en vooral veel lol hadden. De lol kwam van de vanzelfsprekendheid waarmee we met z’n vijven onze sport beleefden en de gereden trainingskilometers van commentaar voorzagen. Lol kwam ook nog van een wedstrijd van Oranje tijdens het EK in eigen land. Vooral de 6-1 tegen Joegoslavië leverde een gedenkwaardige avond op. Die euforische sfeer was een paar dagen later in één klap weg.

Gelukkig mochten we een dag later doen waar we voor gekomen waren; een rit van 175 kom over het rijtje dat half wielrennend Nederland kan dromen; Col de la Croix de Fer, Col du Télégraphe, Col du Galibier en l’ Alpe d’Huez. ‘s Ochtends om net na 6 uur staan we naast de auto in La Garde, drie kilometer op de klim naar de Alpe. Kleumend in een druilerig regentje peuteren we onze fietsen uit de auto. Banden worden nog een keer opgepompt. Schoenen aan, helmen op, de laatste check op alles dat in orde moet zijn. Bidons gevuld en achterzakken vol met voeding. We dalen licht gespannen 3 kilometer af naar de start, waar de term “met de Franse slag” nog een compliment voor is. Een jaar later zie ik bij de Dolomietenmaraton hoe het ook kan.

Iets na 7 uur komt dan eindelijk beweging in de massa van 4300 deelnemers. Mijn vrienden, die inmiddels Marmotte veteranen zijn, hadden me al voorbereid op de gekte na de start. Het blijkt nog gekker te zijn. De eerste 10 kilometer naar de voet van de Col de la Croix de Fer gaan in krap een kwartier. De meute gaat in een dolle gestrekte draf op die eerste klim af. Ook al had ik me voorgenomen me niet gek te laten maken; het gaat vanzelf. En het lijkt geen moeite te kosten. De Croix de Fer gaat redelijk. Gek word ik alleen van die übergesoigneerde Italiaantjes die vrolijk keuvelend langsfietsen. Meer moeite kost me, gewoontegetrouw, de Galibier. De enige keren dat ik die berg lekker reed, waren de ritten waar ik pas in Valloire op de fiets stapte. Genieten doe ik ook, gek genoeg. De verlatenheid en desolate schoonheid van de Galibier blijven indrukwekkend. Ook als ik zit te vloeken vanwege een zeer merkbaar tekort aan training.

Dat het nog erger kan merk ik 2 uur later. De 45 kilometer dalen vanaf het dak van de Marmotte (2645 meter) naar de voet van de Alpe lijken me goed te hebben gedaan. Ik heb gegeten en gedronken. Bij le Clapier haal ik nog wat extra drinken en eten. Met redelijk goede moed begin ik aan de 13 kilometer en 21 bochten. Ergens na La Garde, waarschijnlijk tussen km 4 en 5 begint het. Ik voel me leeg, ook al heb ik geen honger. Zelfs wandelaars lijken sneller omhoog te gaan. Ik voel me slap en alles begint zeer te doen. Ik neem me voor om bij het volgende kilometerbordje even te pauzeren. Als dat bordje in zicht komt, realiseer ik me dat dit voornemen net zo realistisch als absurd is. Realistisch omdat ik me leeg en uitgeknepen voel. Absurd omdat je niet afstapt in een klim. Vooruit, bij een lekke band kan het. Verder niet.

Kilometerbordje 6 laat ik voorbijgaan. Nog geen 100 meter verder voel ik me nog slechter. En weer komt het voornemen in me op om krap 900 meter verderop even te pauzeren. Als km 7 in zicht komt, vervloek ik mezelf. “Lul, klootzak, je stapt niet af!” M’n benen, m’n rug en m’n ingewanden protesteren heftig tegen. Die willen maar één ding. Toch gaat ook bordje 7 traag langs. Ik kom in een ritme; na 100 meter komt het voornemen om even te pauzeren net zo onweerstaanbaar m’n brein binnen als een afloper leegloopt. En elke keer gaat de ratio de strijd met de emotie aan. En wint weer. Tergend langzaam schuift bordje 8 in en uit mijn blikveld.

Zo gaan bordjes 9, 10 en 11 ook langs. M’n brein en lijf hebben blijkbaar geen behoefte aan afwisseling. Korte vloeken en verwensingen werken elke kilometer weer. “Afstappen is voor losers, lul!” En “Klootzak, je vergeeft het je nooit als je nu afstapt!”. Diverse variaties op deze mantra’s werken elke keer. En zo kom ik bij het bordje van de laatste kilometer. Dan gaat het lekker; vooral omdat de laatste kilometer grote stukken vlak en licht vals plat kent. Uitgewrongen rol ik na 9 uur en 38 minuten over de streep. M’n eerste Marmotte zit erop. Volgend jaar weer een goed gesprek!

Een man en zijn fiets. En wat daar uit voort komt.

Geplaatst onder Samenleven, Wielrennen met tags , , , , , op 16 februari 2011 door Hans de Gruijter

Zaterdag 14 Februari 2004, Marco Pantani wordt dood aangetroffen in zijn kamer in een hotel in Rimini. Hij kwam niet opdagen bij het diner en men ging hem zoeken. Heel wielerminnend Italië is in rouw. Allerlei geruchten over zelfdoding en drugsgebruik kunnen niet voorkomen dat Il Elephantino of Il Diavolo al snel een nog grotere heldenstatus kreeg dan hij bij leven al had.

Voorjaar 2010. Wilfried de Jong brengt zijn boek “Man en zijn fiets” uit. Een bundel met wielerverhalen. Of zijn het verhalen over wielrennen? Het zijn in ieder geval verhalen waar liefde voor de racefiets uit spreekt. En liefde voor het wielrennen. De Jong blijkt een scherp oog te hebben voor details en bijzondere situaties in en rond het wielrennen. Hij weet in soms verbluffend eenvoudige woorden de schoonheid van de wielersport te raken.

Vroege voorjaar 2011. Wilfried de Jong brengt samen met zijn huisband Ocobar (uit Holland Sport) zijn boek de planken op. Ik ga met collega, twittermaat en onregelmatige fietsvriend Niels Roelen naar de voorstelling in Diligentia in Den Haag. Wilfried en zijn muzikanten zetten in 80 minuten fraaie scènes neer. De verhalen worden ondersteund door de muziek, soms dromerig, loom, dan weer stampend, vaak swingend. Aan bod komen de liefde van de man voor zijn fiets, het ritme van de pedaaltred, het afzien tijdens een klim en de gekte van een sprint. Van alle scenes druipt de liefde van Wilfried voor de fiets, voor het wielrennen.

Dan komt een scene over Pantani. Het verhaal kende ik al uit het boek. Wilfried’s opmerking “Pantani neemt een kamer op de 5e verdieping van een hotel in Rimini. Hij doet de deur open en laat de dood binnen”, komt bij mij binnen. Ik ben terug in het vroege voorjaar van 1993. Ik woon en werk in Blomberg. Op maandag kom ik de basis op en zie de vlag halfstok.  Ik schrik; het kan niet anders dan een sterfgeval van een collega betekenen. Ik schrik nog meer als ik hoor dat het Jos is. Een goede collega; sportief, betrokken en altijd opgewekt. Hij is de dag ervoor aangetroffen. In een bos een kilometer of 30 verderop, in zijn camper. Alles afgeplakt en een slang van de uitlaat door een kleine opening naar binnen. Het enige dat de verbijsterde nabestaanden en collega’s te weten komen, komt van een klein, kort briefje. “Ik ben moe, ik wil rust. Ik ga slapen”.

In Diligentia duurt het, 18 jaar later, even voor ik weer in het verhaal van Wilfried de Jong zit. Het beeld van een man, moederziel alleen in een doodstil bos blijft hardnekkig in m’n hoofd hangen. Een man doelbewust bezig. Bezig zijn camper dicht te plakken. Bezig een slang aan de uitlaat vast te maken. En dan, als alles goed dicht zit, doet hij de deur open, gaat naar binnen en doet de deur dicht. De dood staat nog buiten. Die komt die keer niet door de deur naar binnen. Ik moet slikken en de tranen prikken weer achter m’n ogen.

Achteraf voelt het goed. De scene over Pantani bracht beelden terug van een triomferende kleine grote renner. Beelden van betoverende wielersport. Ook bracht de scene beelden terug van een mooie collega. Beelden van lange duurlopen die ik samen met Jos maakte in de bossen rond Blomberg. De gesprekken die we voerden over hardlopen, over wielrennen, over het leven. Mooie herinneringen aan mooie sportmannen. Mannen die ervoor kozen de dood in hun kamer toe te laten.

Sentimental journey

Geplaatst onder Algemeen met tags , , op 13 december 2010 door Hans de Gruijter

Nee ik ben niet lang op reis geweest. Ik stapte vanavond rond half 9 in de auto. Net een afscheidsetentje van mijn vorige baan gehad. Lekker gegeten in de Waag in Delft. En nog belangrijker; leuk gezelschap en goede gesprekken. Ik verheug me op de rit naar huis. Als ik ‘s avonds al in de auto zit (wat niet veel voorkomt), luister ik het liefst naar Radio 2; het theater van het sentiment. Een erg leuk programma dat probleemloos vertier biedt. Het gaat vanavond over 13 december 1971. Ik moet gelijk terugdenken aan dat jaar; ik ben dan ruim 10 jaar. Zit in de 5e klas van de Augustinusschool in Hilversum. De herinneringen worden nog levendiger als een top 5 wordt gedraaid. Ik ben helemaal 39 jaar terug in de tijd.

Onze klas is bezig een theateravond voor te bereiden voor de ouders. Onze artistieke kwaliteiten zijn niet dusdanig dat er veel authentiek werk zal worden voorgedragen. Het staat me nog wel bij dat één van de mooiste meisjes van de klas (Ellis Steenbeek) wel zelf zong. Zij zou een jaar later ook de hoofdrol krijgen in de musical (Het koffertje van meneer van Dalen) waarmee wij als 6e-klassers afscheid van school zouden nemen. Ik weet nog dat ik groen van afgunst was op Frank van Noort; hij kreeg de mannelijke hoofdrol. Ik wist op voorhand dat ik kansloos was. Ik kreeg zelfs verse melk in een afgesloten koelkast zuur, als ik het op een zingen zette.

Terug naar de 5e klas en onze repetities. Ik maakte deel uit van een groep van 4 of 5 kinderen. We hadden (democratisch?) besloten om het nummer “Soley soley” van Middle Of The Road te playbacken. We oefenden ons rot. We zochten overal naar kleding die zoveel mogelijk leek op dat wat we bij Toppop zagen. Na vele repetities vonden we dat het de toets der kritiek (de onze wel te verstaan!) kon doorstaan. Op naar de grote avond. Een aula vol ouders en een podiumpje waar bij toerbeurt stiknerveuze kinderen hun “kunstje” kwamen doen. En verdomd, bijna de gehele top 5 van het Theater van het Sentiment kwam die avond langs. Alleen Herman van Keeken niet. Maar dat nummer zongen we toch al op het schoolplein.

Die avond werd de show gestolen door Wolbert Kamphuis die, in termen van de laatste jaren, helemaal uit zijn dak ging bij de uitvoering die hij, samen met nog 4 klasgenoten, gaf van “Crazy Horses” van the Osmond Brothers. Daar stak onze wat brave versie van het Middle Of The Road (in het kwadraat!) liedje wel erg bleek bij af. Iemand overigens ooit nog wat van die broertjes gehoord?

Voor al mijn generatiegenoten hier de top 5 van 13 december 1971, volgens het Theater van het Sentiment. Geniet!

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.