Archief voor Integratie

Verkeerde oplossing

Geplaatst onder Leren en ontwikkelen, Samenleven met tags , , , op 26 januari 2011 door Hans de Gruijter

Vol trots twitterde onze Minister Marja van Bijsterveldt op maandag 24 januari dat in Rotterdam een pilot zal starten om peuters met een taalachterstand een vliegende start te bezorgen. Een vliegende start om op de basisschool mee te kunnen met de andere kinderen en niet op een onoverbrugbare achterstand te worden gezet. En omdat taalachterstand niet alleen effect heeft op taalonderwijs, maar ook op andere gebieden lijkt het een erg goed en verstandig initiatief. Lijkt, zeg ik met opzet.

Het probleem bestaat, laat ik daar niet moeilijk over doen. En het is een serieus probleem. Elk kind dat uitvalt in het onderwijs is er één te veel. Alle initiatieven om te zorgen dat alle kinderen die aan onderwijs beginnen, dat onderwijs ook afronden is toe te juichen. Ik laat zien dat juist dit plan verkeerd is. En wel om vier redenen.

  1. Taal is belangrijk, heel erg belangrijk. Het is het enige middel dat wij hebben om kennis over te dragen, om cultuur over te dragen. Het is daarmee van het grootste belang dat iedereen Nederlands leert spreken, lezen, begrijpen en schrijven. Dit initiatief richt zich echter uitsluitend op taal. En een kind is meer dan een organisme dat moet leren praten, spreken, lezen en schrijven. Een kind dient zich ook op andere vlakken te ontwikkelen. Met mijn achtergrond als leraar LO gaat het me aan het hart dat er (weer) niets gezegd wordt over het belang van een goede fysieke en motorische ontwikkeling. En ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit initiatief wordt ingegeven door de wens om Nederland weer in de top 5 van de PISA ranglijst te krijgen.
  2. Elk kind kent een eigen uniek ontwikkelingstempo en -volgorde. Het ene kind zal zich eerst vooral fysiek en motorisch ontwikkelen. En wat later op cognitief vlak. Andere kinderen maken eerst een mentale en emotionele ontwikkeling door. En geen kind zal elke stap in dezelfde snelheid zetten. Het initiatief van de Minister komt voort uit de misvatting dat de ontwikkeling van alle kinderen hetzelfde patroon volgen in een en dezelfde snelheid.
  3. Het kan niet anders dan dat dit initiatief gaat leiden tot meer testen. Hoe wil de Minister anders vaststellen of een kind überhaupt een taalachterstand heeft. En na het zomerbijspijkerprogramma (3x woordwaarde!) zal weer moeten worden getest of het kind wel vorderingen heeft gemaakt. Arme 3-jarige peuters. Als ze al geen hekel hebben aan school, krijgen ze het zo wel. School = testen, zullen ze denken. Terwijl school op die leeftijd nog helemaal niet in beeld moet zijn; hooguit als lonkend perspectief. Op de dag dat deze 3-jarigen hun vierde verjaardag vieren gaat hun school carrière beginnen. Ik weet nog van mijn zoontje dat hij vol verwachting uitkeek naar die dag; zijn eerste schooldag. Hij was dan ook gelukkig niet suf getest bij het kinderdagverblijf en peuterspeelzaal. Hij mocht daar doen wat kinderen op die leeftijd behoren te doen; spelen, uitproberen, naäpen, de kunst afkijken, et, etc. En daarmee en daardoor heel veel leren.
  4. Het is een verkeerde oplossing van een serieus en nijpend probleem. Want de oplossing laat de oorzaak van het probleem in stand.  De meeste kinderen met een taalachterstand hebben ouders die niet of zeer gebrekkig Nederlands spreken. Zolang dat probleem niet wordt aangepakt blijft het in de zomerbijspijkerlessen dweilen met de kraan open . Het recept is zeer eenvoudig. Iedereen die zich vanuit een buitenland in Nederland wenst te vestigen dient eerst en vooral de taal te leren. Zonder taal geen uitzicht op werk, op scholing, op integratie. Zonder werk en integratie grote kans op een te groot beroep op sociale voorzieningen, medische hulp en vaak ook psychiatrische hulp. Een onevenredig groot beroep op steeds schaarser wordende publieke middelen. De Minister scoort pas echt op het terugdringen van taalachterstand als zij de aanpak weghaalt bij de kinderen en richt op de volwassenen. Dat vergt samenwerking met andere departementen. Mooi taak voor deze ambitieuze regering.

Succes!

Met wortel en tak…..

Geplaatst onder Samenleven met tags , , , op 27 december 2010 door Hans de Gruijter

Soms krijg ik een schier onbedwingbare lust om iets uit te roeien, met wortel en tak het liefst. De laatste keer dat ik dat gevoel kreeg, heb ik ook geprobeerd om dat zo letterlijk mogelijk uit te voeren. Een groot deel van mijn tuin werd namelijk ontsierd (in mijn ogen dan) door een al te fluks groeiende klimop. In een aantal sessies op zaterdag- en zondagmiddagen  in de herfst (‘t liefst onder een aangenaam zonnetje) heb ik dat spul zo veel als mogelijk was met wortel en tak uitgeroeid. Gisteravond hoorde ik die kreet (met wortel en tak) weer. Al kreeg die term daar de tegenovergestelde, en daardoor mooiere betekenis.

Aan het eind van een goed en gezellig Kerstweekend keek ik naar een interview dat Paul Witteman had met Herman Finkers. Ik wist niet beer dan dat Herman Finkers vooral uitblonk in genietenswaardige meligheid en fraaie tekstvondsten. In dit gesprek verraste hij mij een aantal keer. De ene keer door heel liefdevol over (de liefde voor) zijn vrouw te vertellen en te zingen. De andere keer door een boekje open te doen over zijn vriendschap met Willem Wilmink. En hij gaf en passant aan dat de quote die hem bij minimaal de helft van de Nederlanders bekendheid heeft gegeven, door hem helemaal niet zo leuk en bijzonder werd gevonden. (“Het stoplicht gaat op rood, het andere gaat op groen, in Almelo is altijd wat te doen”).

Ongeveer halverwege het interview komt Finkers met de mooiste, want tegendraadse, uitleg van “wortel en tak”. Hij legt uit hoe hij naar de Nederlandse samenleving kijkt. En wat nodig is om die, steeds diverser wordende, samenleving sterk te maken en te houden. Stel nou dat er een nieuwe vreemde vogel bij komt, stelde hij. Dan kan die vogel alleen maar op een tak komen zitten in de boom die we Nederland noemen, als de tak wordt gedragen door een wortel die sterk genoeg is. Je krijgt een wortel en daarmee een tak pas sterk als je ervoor zorgt dat iedereen in die boom weet wat de basis is voor die boom. Hoe is Nederland geworden zoals het nu is. Hoe komt het dat we al eeuwen bekend staan als een tolerant volk? Wat is er in al die voorgaande eeuwen gebeurd? Wat is er deze eeuw gebeurd? Dat kan alleen als kinderen goed en genoeg onderwijs krijgen. En dan vooral in geschiedenis. Er moet meer Middeleeuwen in het onderwijs komen, sluit hij af.

Als de uitzending is afgelopen zit in ik nog een tijdje na te denken over zijn opmerkingen. Ik kauw er nog ff op door. Ze klinken heel plausibel; niet in de laatste plaats door de simpele bewoordingen die Finkers gebruikt. Zijn Tukkerse tongval helpt daar ook nog eens bij. Ook zijn zeer open en vaak olijke gezicht straalt iets uit van: “zo simpel kan en moet het zijn”.

Als Nederland inderdaad gezien wordt als een mooie grote boom met een grote, brede stam die wordt gevoed door een wijd en breed stelsel van wortels die zo diep steken dat de boom stevig staat. Op die basis zijn vele takken gekomen. Aan alle takken groeien de mooiste bladeren. Het geeft een mooi vol bladerdek, dat schaduw en bescherming biedt. Het takkenstelsel biedt ook volop ruimte aan heel veel vogels, bekende en vreemde. Er is zoveel ruimte dat er af en toe best een heel vreemde vogel bij kan. Aan de vogels die al langer in de boom wonen, is het dan om de nieuwkomers te vertellen wat de spelregels zijn in die boom. En niet alleen wat die regels zijn, ook hoe ze (ooit) tot stand zijn gekomen. Dat kan alleen maar als dat verhaal wordt doorverteld en overgeleverd. Dat kan door ouders en opvoeders. Maar bovenal in het onderwijs.

Een aantal behartenswaardige zaken uit het verhaal van Finkers: zorg voor goed onderwijs. In dat onderwijs moet aan bod komen wat we in Nederland belangrijk vinden en hoe het komt dat we dat belangrijk vinden. En als je dat goed regelt en uitvoert kun je prima “vreemde vogels” in je boom welkom heten!

You don’t have to be straight to shoot straight.

Geplaatst onder Samenleven met tags , , , , , op 20 december 2010 door Hans de Gruijter

Een betere tekst had er niet op het T-shirt kunnen staan. Het werd gedragen door activisten bij een persconferentie in Amerika. Die persconferentie ging over het officiële US Armed Forces beleid van “Don’t tell, don’t ask.

En dat was uiteraard de grootste gotspe van de laatste jaren. Een officieel beleid (17 jaar geleden door nota bene een democratische President ingesteld) dat ervoor zorgde dat de enige supermacht van deze wereld grote groepen militairen ertoe dwong in ieder geval figuurlijk (en wellicht ook letterlijk!) in de kast te blijven. Na wat gejojo werd het vandaag toch officieel; het beleid van “Don’t ask, don’t tell” is verleden tijd. Een weekje gelden was er nog een laatste stuiptrekking toen de Commandant van de US Marines, Generaal John Amos, beweerde dat homo’s in het leger een gevaar vormden voor “zijn” Marines.

Obama heeft in dit geval het ijzer gesmeed toen het heet was. En toen er nog kans was op een positieve afloop. Want met ingang van 3 januari a.s. is het Huis van Afgevaardigden niet meer in Democratische handen. Dus toen wetsvoorstel om “Don’t tell, don’t ask” af te schaffen vorige week door het Huis werd aangenomen ging het ineens snel. En omdat in de Senaat acht Republikeinse Senatoren met hun partij braken was de wet er ineens heel snel door.

Terecht. terecht om twee redenen. De eerste werd vooral door Obama treffend verwoord. ’Het is tijd om dit hoofdstuk in onze geschiedenis af te sluiten’, zei hij. ‘Tijd om in te zien dat opoffering, moed en integriteit evenmin iets met seksualiteit te maken hebben als met ras of sekse, geloof of afkomst.’ De tweede werd, uiteraard, niet door Obama benoemd. Die heeft te maken met de hypocrisie die Amerika hier tentoon spreidde. De aanwezigheid van veel Amerikaanse troepen heeft allereerst te maken met het bestrijden van internationaal terrorisme dat in dit Centraal-Aziatische land een bakermat kent. Een tweede, of misschien wel pas derde reden voor die aanwezigheid van Uncle Sam aldaar heeft te maken met een nobeler streven. En dat is het verbeteren van de positie van de vrouw in de Afghaanse cultuur en samenleving.

En hier is het dat het Amerikaanse spek begint te stinken. Hoe kun en durf je het vol te houden dat je, voor een deel, op een emancipatoire missie bent als je een (groot) deel van je eigen mannen en vrouwen verplicht om niet voor hun (seksuele) geaardheid uit te komen? Niet dus. Het gaat nu ook weer te ver om de Amerikanen een groter draagvlak in Afghanistan toe te kennen, alleen door het opheffen van het “Don’t ask, don’t tell” beleid.

Is het nu allemaal koek en ei op het vlak van normale verhoudingen in de US Armed Forces? Als het gaat om de openlijke erkenning van homoseksuele mannen en vrouwen dan durf ik daar voorzichtig ja op te zeggen. Al zal het nog wel enige jaren duren voordat dit in de enorme organisaties (US Army, US Air Force, US Navy en US Marines) de normaalste zaak van de wereld is. Waar het nog ernstig aan schort is een normale benadering van relaties op de werkvloer. Zolang dat tussen een man en een vrouw (en dus straks ook tussen twee personen van hetzelfde geslacht!) van gelijke rang is, is er niets aan de hand. Op dit moment is het nog steeds “undone” om “door de rangen” heen relaties aan te knopen. Als het toch gebeurt en de leiding komt erachter is doorgaans de laagst gegradueerde van het tweetal de pineut. Waarbij gedwongen overplaatsing nog de minste straf is.

Hoog tijd voor de US Armed Forces om ook hier emancipatoir op te treden. Verbeter de wereld en begin bij jezelf!

MVO – Maatschappelijk Verantwoord Onderwijzen/Opleiden

Geplaatst onder Leren en ontwikkelen, Samenleven met tags , , , , , , , op 28 november 2010 door Hans de Gruijter

In bijgaand filmpje legt Sir Ken Robinson op duidelijke (en overigens fraai vormgegeven) wijze uit waartoe ons onderwijs dient. Allereerst is er een economische impuls om het onderwijs onder te loep te nemen en te hervormen. De tweede insteek is vanuit een cultureel oogpunt. Onderwijs (naast opvoeding) is een belangrijke manier om de cultuur van een samenleving over te dragen. Beide insteken hebben een gemeenschappelijk, want maatschappelijk belang.

Vanuit een economisch standpunt is de redenatie als volgt. Onderwijs (op welk niveau dan ook) zorgt ervoor dat leerlingen / studenten een startkwalificatie verwerven. Deze startkwalificatie maakt het hen mogelijk om werk te vinden. Voor dit werk ontvangen zijn salaris. Dit salaris stelt hen in staat zichzelf (en hun eventuele gezin) te onderhouden. Als dat allemaal niet gebeurt, kloppen deze mensen aan bij de overheid voor een uitkering. Geen enkele overheid kan het zich (op de lange termijn) veroorloven om veel mensen inactief thuis te laten zitten en hen langdurig een uitkering te verstrekken. Dat er meer dan alleen economische en financiële motieven zijn om inactiviteit tegen te gaan moge duidelijk zijn.

Vanuit een cultureel oogpunt zorgt onderwijs (vooropgesteld dat ouders in hun opvoeding een stevige basis voor verdere cultuuroverdracht hebben gelegd) ervoor dat kinderen (nog verder) ingevoerd worden in de cultuur van de samenleving waar zij en dat onderwijs deel van uit maken. Deze cultuur zorgt voor een samenbindend effect binnen die samenleving. Ook hier weer de link naar het maatschappelijk belang. Cultuur is zowel iets wat mensen onderscheidt binnen één samenleving, maar ook wat hen bindt.

In de afgelopen jaren hebben ontwikkelingen op twee vlakken  een negatieve invloed gehad op dat MVO (Maatschappelijk Verantwoord Onderwijzen/Opleiden). Allereerst is daar de schaalvergroting in het Beroepsonderwijs (zowel MBO als HBO). Naast enorme onderwijsfabrieken (mooi verwoord en vormgegeven in het filmpje van Sir Ken!) heeft dat ook een enorme bestuurlijke organisatie binnen die scholen voortgebracht. En deze bestuurslagen hebben goed voor zichzelf gezorgd. De uitspattingen van Jos Elbers bij InHolland zijn daar wel een heel navrant voorbeeld van.  Omdat scholen één pot geld krijgen (de zogenaamde lumpsum) om alles te betalen, kan het niet anders dan dat de (te hoge) salarissen voor die bestuurders en managers ten koste gaan van de studenten. Je kunt een euro tenslotte maar één keer uitgeven, nietwaar?

Een ander risico voor de maatschappelijke functie van het onderwijs (die van cultuuroverdracht) ligt in (een aantal aspecten van) de integratiediscussie. Voor ik het verwijt krijg een allochtonenhater te zijn; lees verder! In de wens om maar flexibel en tolerant te worden gevonden heeft Nederland jaren geleden de deur opengezet voor iedereen die hier wilde komen. Tot zover geen problemen. Het spek begon te stinken toen de overheid overging tot het verstrekken van allerlei informatie in de talen van de binnenkomende asiel- dan wel gelukszoekers. Ook de ruimhartigheid waarmee religieuze (doorgaans islamitische) aspecten werden behandeld staat op z’n zachtst haaks op de scheiding tussen kerk en staat. Wat is nu mijn punt? Als Nederland de eigen cultuur, zoals we die in de laatste 3-4 eeuwen tot stand hebben zien komen, centraal had gesteld was het integratie debat anders verlopen. Had elke binnenkomende allochtoon nog Nederlandser moeten worden dan Henk en Ingrid? Nee. Wat wel? Allereerst de taal leren. En daarna inzicht en begrip krijgen in de Nederlandse staat en samenleving. Met de daarbij horende scheiding van kerk en staat. Met de, inmiddels wel erg losse, huwelijkse en seksuele moraal. Met de zo goed als gelijke posities van man en vrouw. Met de vrijheid van meningsuiting. Enzovoort, enzovoort. Dat hebben we nagelaten en daar plukken we nu nog de wrange vruchten van.

Oplossingen zijn er. Allereerst vanuit een economisch standpunt. Daartoe verwijs ik graag naar een artikel van Arnold Heertje en Jasper van Dijk uit de Volkskrant van vrijdag 26 november. Zij geven een aantal prima oplossingen die gaan bijdragen dat het geld uit de lumpsum vooral ten goede gaan komen aan degene die daar op recht op hebben. Eerst de studenten, dan de docenten. En voor de, in aantal danig teruggebrachte, managers blijft dan nog altijd genoeg over om een goed belegde boterham te eten.

Vanuit het cultureel standpunt bezien is voor mij de belangrijkste les de volgende. Iedereen die naar Nederland wil komen is welkom. Vooropgesteld dat deze nieuwe medelander meer dan gerede kansen heeft zichzelf (en zijn eventuele gezin) te onderhouden. Eénmaal binnen leert hij of zij onze taal. En hij / zij herkent, erkent en respecteert alles wat onze ouders, grootouders en voorouders hebben opgebouwd en vormgegeven en wat wij nog steeds belangrijk vinden. En dat mag, nee moet, terug komen in het onderwijs. Trots op Nederland, maar dan zeker niet zoals Rita Verdonk het bedoelt. Trots op alles wat Nederland de moeite waard maakt om naar toe te komen. En de moeite waard maakt om te blijven. Het motto moet zijn: als je in Nederland wilt wonen dan doe je mee en draag je bij. Overigens geldt dat ook voor alle autochtone Nederlanders!

Ontmoeting

Geplaatst onder Samenleven met tags , , op 2 november 2010 door Hans de Gruijter

Het zag ernaar uit dat het een ochtend als alle andere ochtenden zou worden. Dat werd ‘t ook wel, maar net niet helemaal. De wekker ging weer als vanouds vroeg (half 6). Na ‘t normale ritueel van douchen en aankleden een snel ontbijt. De krant, die gelukkig weer ‘s op tijd is, uit de bus halen en op de vouwfiets naar het station. Het is lekker fris, net niet echt koud. Voor zover ik al niet wakker was, werd ik dat wel van die iets meer dan 10 minuten fietsen naar het station. Onderweg negeer ik gewoontegetrouw het enige verkeerslicht dat op rood staat. Normaal zie ik nooit een auto op dat traject, maar net als ik door rood rijd, komt er een politieauto langs. Ze laten het bij toeteren….

Op het station gaat de routine verder; de monitor in de hal checken op wijzigingen in tijd of vertrekspoor. Alles normaal. Ik haal de lampjes van m’n fiets en berg ze op in mijn jaszak. Ik loop met de fiets aan de hand naar spoor 6. Al mijmerend over eigenlijk niets op de roltrap naar boven. Op het perron ga ik daar staan waar doorgaans de 1e klas coupé stopt. Ik ben net bezig met het opvouwen van m’n fiets als een man naar me toekomt met, naar later blijkt, een schrijfblok in zijn hand. Ik denk eerst nog “wat gek, zo vroeg een enquête”. Hij wil inderdaad wat vragen en blijkt geen enquêteur. Hij heeft een geprint A4-tje in zijn hand. Het blijkt een brief te zijn, gericht aan ene Fred. Hij vraagt me in goed Nederlands met een onmiskenbaar allochtone tongval of dat wat er staat goed Nederlands is. Ik scan de brief snel. De strekking is dat hij vrij vraagt aan een docent om naar een wiskundeles, -congres, -symposium te gaan. Ik zou het anders hebben opgeschreven, maar de zinnen kloppen en ik krijg de indruk dat hij ‘t Nederlands beter beheerst dan hij zelf wil geloven. Hij vraagt nog een keer of het zo kan. Ik twijfel even bij het tutoyeren dat hij toepast. Dan zie ik dat hij de brief richt aan Fred. Ik zeg er niets van.

Als ik denk dat het daarmee over is, stopt hij het geprinte A4-tje weg en laat me een aantal handgeschreven zinnen op het schrijfblok zien. De eerste zin gaat over iets dat te maken heeft met zijn inburgeringscursus. Althans, dat neem ik nu wel aan. Uit die zin halen we in goede samenwerking twee fouten. De tweede zin verbaast me…… Er staat iets als : “Vraag je aan je vrouw of ze het lekker vindt?” Niet dat ‘t een gekke zin is, maar hij valt zo uit de toon bij de eerste twee. De zin klopt wel, overigens.

Voor hij mij een derde zin voor kan leggen stopt de trein voor onze neus en ik maak aanstalten om in te stappen. Hij bedankt me uitvoerig en loopt weg. Ik weet niet eens of hij ook is ingestapt, of dat hij zijn zoektocht naar correctoren op het perron voortzet. In de trein denk ik nog even na over ons korte gesprek en duik dan in m’n krant. Een bericht dat me opvalt gaat over onderzoek bij VWO en HAVO scholieren. Met een, voor de onderzoekers, verbazingwekkende uitkomst. Deze scholieren geven bij meerderheid aan dat ze liever meer praktische zaken willen in plaats van theorie. De trein rijdt verder, ‘t wordt licht als we Den Haag Holland Spoor binnen rijden. De ontmoeting met de man op het perron is al uit m’n gedachten. Ik fiets naar m’n werk en de dag ontrolt zich.

In de trein terug moet ik toch weer aan die man denken. En dat in relatie tot een blog die ik vorige week schreef over lichtpuntjes. Is hij zo’n lichtpuntje? Een allochtoon die én een cursus Nederlands volgt en naar een cursus, symposium of congres over wiskunde gaat. Is hij bezig om allebei te leren? Nederlands en wiskunde? Of is hij al wiskundige en is ‘t alleen onze taal die hem nog echt hoofdbrekens bezorgt? Ik weet het niet, maar ik weet wel dat hij het onderwerp wordt van mijn blog van vandaag.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.