Archief voor Mindset

8h01’37″ volgens Franse tijdwaarneming….

Geplaatst onder Wielrennen met tags , , , op 15 april 2011 door Hans de Gruijter

Marmotte 2001

Nog steeds kan ik ‘t niet hebben. Als ik er aan terug denk, kom ik gelijk in de zeldzame stemming dat ik alle Fransozen over één kam scheer. Niet te vertrouwen, slechte organisatoren, niks savoir-vivre. En dat allemaal vanwege bijna 100 tellen. Om precies te zijn, 98 seconden die ze me door de neus boorden op zaterdag 7 juli 2001. Eigenlijk meer. Mijn fietscomputer stond bij de finish echt op 7h57’06″ stil. Dus werd ik nog grover bestolen; 272 tellen te veel. Terwijl ik met 7h59’59″ al heel blij zou zijn geweest.

De 2001 editie van de Marmotte kende bijna winterse weersomstandigheden. Bij de start regen en de thermometer stond stil bij 10 graden. En de daaropvolgende 4-5 uur werd het niet droog. Op de toppen van de Col de la Croix de Fer en zeker de Col du Galibier was het helemaal bar. Later hoorde ik dat het op het dak van de ronde slechts 1 graad boven nul was geweest. Ik zag hevig trillende wielrenners van de fiets getild worden. Door de kou bevangen en grijs van ellende werden ze liefdevol warme auto’s ingedragen. Ik zag het gebeuren en vroeg me af wanneer het mij zou gebeuren.

In de afdaling van de Croix de Fer hield ik het verbazingwekkend lang vol zonder te klappertanden. Pas in het tweede deel begon het trillen en klappertanden. En was het niet te stoppen. Iets langzamer dan mijn tanden, klapperde in mijn hoofd een mantra mee. “Blijf kijken, blijf sturen, blijf remmen, blijf kijken, blijf sturen, blijf  remmen”.

Tijdens de klim naar de eerste col was ik al de hele tijd met mijn gedachten bij de afdaling. Hoe zou dat gaan? Zou ik nog kunnen remmen? Zouden mijn handen niet compleet verkleumd raken? Ik reed in behoorlijk zomers tenue (zie foto). Alleen een windstopper en mouwstukken waren de aanvulling op het normale “zomertenue”. In de klim reed ik me warm, nergens last van. Pas in de onderste helft van de afdaling van de Croix de Fer begon het dus. Niet te stoppen. Rillen, trillen en klappertanden. Zo erg dat ik bang was van de fiets te stuiteren.

In het dal op weg naar de Télégraphe was het merkbaar warmer. Al zal het daar ook niet meer dan een graad of 12 zijn geweest. Genoeg om weer op temperatuur te komen. Warmer kreeg ik het ook in de 12 kilometer lange klim van de Télégraphe. En gelukkig is de afdaling van de top van de Télégraphe naar Valloire maar 5 kilometer. Maar daar begon het trillen ook direct zodra de weg ophield te stijgen.

Van de 17 kilometer klimmen naar 2651 meter hoogte kreeg ik het warm genoeg om zonder noemenswaardige problemen door te fietsen. En ik bleef alert genoeg om alle verkleumde fietsers te zien. En me te verbazen over het feit dat het hen wel overkwam en mij niet. Althans, niet in de klim. Ik was koud 50 meter over de top, de snelheid kwam net boven de 30 per uur uit, of het trillen begon weer. En hield de 45 kilometer naar de voet van Alpe d’Huez ook niet meer op. Werd zelfs ook erger door een 10 minuten durende hoosbui op het stuk tussen La Grave en het Lac du Chambon. In plaats van lekker losrijden, moest ik hier volle bak rijden om het niet weer vreselijk koud te krijgen.

De neiging om bij Le Clapier linksaf te slaan werd groter en groter. Zeker omdat ons hotel in Vénosc voorzien was van een sauna. Warm worden, dat is wat ik wilde. Tot een blik op mijn fietscomputer mij leerde dat ik “pas” 6 1/2 uur onderweg was. Als ik ooit de kans zou hebben om de Marmotte binnen de 8 uur te rijden, was het nu. Een korte stop bij le Clapier om overbodige kleding (had ik die dan?) af te geven en nog wat water en eten mee te nemen. Toen door naar de Alpe. Een jaar eerder was ik al pratend en vloekend omhoog gereden. De eerste 3 kilometer tot aan La Garde gingen zowaar lekker. Bij La Garde haalde ik ook fietsmaatje K. in. Ik had K. op het vlakke al nooit bij kunnen houden, laat staan in de heuvels en bergen. Hier haalde ik hem bij. En in.

Ik had hem al eerder gezien; in de bocht van Plan Lachat halverwege op de Galibier stond hij voor de 6e keer te pissen. Dat verklaart dat ik hem weer bijhaalde. De rest van de Galibier reed hij weer sneller. In de afdaling van de Lautaret kreeg ik hem weer in ‘t vizier. Bij Le Clapier reed hij net voor me weg. “Tot boven”, riep ik hem nog na. Geen van tweeën kon toen weten dat het waar zou blijken, alleen andersom…..

Op de eerste kilometer na La Garde praten we even. “We gaan voor een tijd binnen de 8 uur!”, houd ik hem voor. “Lukt niet”, geeft hij aan. “Jawel, ik weer. “We hebben nog 52 minuten voor 10 kilometer”. Ik bleek zelfs nog te kunnen rekenen op dat moment. “We hoeven alleen maar 12 per uur te rijden, dan houden we nog over. En alles sneller dan 12 per uur geeft ons een tijd sneller dan 8 uur”. “Jaja”, was alles dat hij zei.

Ik zet me op kop en roep nog dat hij mijn wiel moet houden. Al binnen 500 meter zie ik dat hij 5 meter heeft. Weer 500 meter verder is het gat al 100 meter. Licht verward rijd ik verder. Wat gebeurt hier? Ik rij hem los. Op de Alpe, nota bene! Omdat mijn teller geruststellende informatie blijft geven, ga ik niet tot het uiterste. In het dorp aangekomen, geef ik toch wat gas bij; daar gaat het ook. Na de paar slingers en een klein stukje vals plat, draai ik over de rotonde naar de finish. En druk m’n computer stil op 7h57’06″. Om drie dagen later op internet (zo snel ging dat toen) te zien dat de Fransen me 4,5 minuut hadden genept!

De, nog steeds, schrale troost was drievoudig. Ik leerde dat kou en vocht geen invloed op me heeft. Ik had K. voor ‘t eerst (en tot nu laatst) van onze gezamenlijke  fietsloopbaan uit het wiel gereden. En dat de klim naar Alpe d’Huez in een verbijsterende 56 minuten was gegaan. Maar die tijd van 8h01’37″ blijft staan. K*t Fransozen!

10 Dingen waar ik van weet dat ze waar zijn (2).

Geplaatst onder Algemeen met tags , , , , , , op 10 april 2011 door Hans de Gruijter

Onder deze titel schreef ik twee weken al een blog. Geïnspireerd door een blog van Dirk van Mulligen en een TED Talk door Sarah Kay vroeg ik toen aan mijn lezers om lijstjes in te leveren van de “10 dingen waarvan je weet dat ze waar zijn”. Dat leverde een aantal reacties op. Zie daarvoor versie 1 van dit bericht.

Tijdens het schrijven bedacht ik me al dat ik zelf uiteraard niet kon achterblijven. Daarom nu hier mijn lijstje van de 10 dingen waar ik van weet dat ze waar zijn:

  1. Het mooiste dat mij is overkomen, is vader worden.
  2. Het leukste dat je worden kunt, ben jezelf.
  3. Het is een misvatting van vanjewelste te denken dat successen alleen behaald kunnen worden door te sturen op opdracht, resultaat en winst.
  4. Proberen kun je leren.
  5. Het is niet voor niets dat je goed bent in de dingen waar je goed in bent.
  6. Ik ben nooit te oud om te leren.
  7. Het leukste dat ik kan doen, heeft met opleiden en ontwikkelen van (jonge) mensen te maken.
  8. Het nieuwe werken gaat vooral (en misschien wel uitsluitend) over het nieuwe leidinggeven.
  9. Luisteren naar en gebruik maken van je gevoel is een teken van kracht.
  10. Inzet en gebruik van social media ten behoeve van werken en leren wordt dé revolutie van de 21e eeuw.

Net als bij de vorige versie van “10 dingen waar ik van weet dat ze waar zijn”, vraag ik jullie om ook je eigen lijstjes toe te voegen. Veel plezier en ik ben heel benieuwd!

Menselijke magneet en toeval dat niet bestaat.

Geplaatst onder Leren en ontwikkelen met tags , , , , op 16 december 2010 door Hans de Gruijter

Toeval bestaat niet. Dat betekent dat er iets moet zijn geweest dat mij vandaag deed besluiten om niet op de Seelig kazerne in Breda te blijven. De vergadering daar was ruim voor 2 uur afgelopen. Naar Den Haag gaan vond ik geen optie; te veel reistijd waar te weinig effectieve werktijd tegenover zou staan. Ik twijfelde even of ik naar de KMA zou gaan, of naar de Trip van Zoutlandtkazerne om nog wat te werken. Ik wist dat er op de Trip een leuke flexplek is waar ik een paar weken geleden ook al was aangeland. En zo belandde ik rond 2 uur op de inmiddels al bekende flex plek. In tegenstelling tot de vorige keer was het bureau ernaast nu wel bezet. Een collega zat te bellen.

Ik wachtte even tot mijn, tot dat moment nog volslagen onbekende, collega zijn telefoongesprek had afgerond. Ik stapte zijn kamer binnen. “Als we dan toch op 3 meter van elkaar zitten te werken, kunnen we ook kennismaken”, sprak ik. We wisselden even de obligate beleefdheden uit en raakten in gesprek. Ik stond op het punt om me op de lijst nog af te werken mailtjes te storten, toen iets wat ik zei mijn collega triggerde. “Nou ga ik toch even doorvragen”, zei hij. Ik had ‘m verteld dat ik net op een nieuwe functie was begonnen en wat dat inhield. Ook had ik kort gerefereerd aan wat ik de 2,5 jaar daarvoor had gedaan. Iets in dat verhaal moet hem hebben aangesproken.

Ik pakte een stoel en liet hem zijn verhaal doen.  Waar het kort en bondig op neer kwam was dit. In het 1e kwartaal van 2011 gaat één van zijn collega’s binnen dezelfde afdeling weg. Ze zijn op zoek naar een opvolger. En ze hebben duidelijk voor ogen welke kwaliteiten die opvolger zou moeten hebben. Niet alleen kwaliteiten zijn van belang, ook de inpasbaarheid in het (kleine) team speelt een belangrijke rol. Ze zoeken een “karakter”. Ik zei al die tijd niet veel, maar non verbaal moet er van alles te zien zijn geweest. Hij onderbreekt zijn verhaal. “Moet ik nog verder gaan?’, vraagt hij. “Ik geloof dat je al een keus hebt gemaakt”. Ik geeft aan dat ik zit te glimmen en glunderen om twee redenen. De eerste omdat ik het erg leuk vind, wat ik hoor. De functie en zoals hij de invulling daarvan, zoals zij die voor ogen hebben, schetst, zijn mij op het lijf geschreven. De tweede reden is eigenlijk een grimlach. Omdat ik merk dat het ergens schuurt en knaagt.

Ik loop tegen mijn eigen waarden en principes aan. Eén daarvan is dat ik graag als een betrouwbare medewerker word gezien. Een andere is dat je afmaakt, waar je aan begonnen bent. En ik ben net begonnen aan een nieuwe job. Die leuk is, uitdagend, spannend. Los van formele regelingen binnen Defensie, vind ik dat ik “gewoon” minimaal twee jaar op die functie aan de slag moet blijven. Maar toch, maar toch. Het is een erg leuke functie. Er zit een bevordering aan vast. En ‘t is op 5 minuten fietsen van mijn huis. Het eerste aspect weegt ‘t zwaarst. In die job kan ik alles kwijt dat ik de laatste jaren heb geleerd en ontwikkeld.

Ter plekke besluit ik open kaart te gaan en blijven spelen. Ik vertel mijn gesprekspartner dat ik het een erg leuk aanbod vind. Dat ik het in overweging neem. En dat ik aanstaande maandag met mijn baas ga praten. Hem uitleg wat er speelt. En ik zie dan wel wat daar uit voort komt.

Een half uur na het gesprek met die collega zit ik nog na te genieten. Het werkt dus. Ik vertelde een week geleden een collega die bij mij in een coachingstraject zit dat het werkt. Dat je op zoveel mogelijk plekken moet vertellen wat je leuk vindt. Dat je vertelt wat je graag zou willen gaan doen. Niet omdat je wilt dat het op (zeer) korte termijn gebeurt, maar omdat je wilt dat zoveel mogelijk mensen van je ambities, wensen en dromen op de hoogte zijn. Ik heb de laatste jaren niet nagelaten te vertellen wat ik leuk vind. Vooral uitgedrukt in activiteiten. Niet in concrete functies. En hier is het; een heel erg leuke functie, bijna op een presenteerblaadje.

Toeval? Nee. Wat dan wel? Weet ik ook niet. Maar ik vind het bijzonder en erg leuk. Maandag een goed gesprek met m’n baas. En dan zie ik wel wat er van komt. En lukt het deze keer niet, dan een volgende keer wel. De zaadjes zijn uitgestrooid. Er zal vast een volgende ontkiemen.

Positief Coachen

Geplaatst onder Samenleven, Sport met tags , , , , , op 30 november 2010 door Hans de Gruijter

Een zaterdagochtend, ergens in 1971. SV Olympia ’25 speelt nog op de oude velden; op wat toen nog een winderig stuk niemandsland tussen Hilversum en Loosdrecht was. Nu ligt er al jaren een bedrijventerrein. En Olympia heeft al twee verhuizingen gekend sinds die datum. De accommodatie was op z’n zachtst gezegd krakkemikkig. Drie velden, een houten kantine en kleedkamers die het predicaat veredelde varkensstal maar net verdienden. En toch had die plek iets. Ik weet nog dat ik met een beetje pijn in m’n hart afscheid nam. Ook al verhuisde mijn cluppie naar een gloednieuw complex aan de Beresteinseweg. Met een nieuwe kantine. Met mooie kleedkamers. Met een trainingsveld met verlichting! 

Die zaterdagochtend dus. Ik sta met m’n elftalgenootjes klaar voor een wedstrijd tegen een al vergeten tegenstander. Onze elftalbegeleider heeft ons volgestopt met aanwijzingen en tactieken. We knikten wel van ja, dat we hem begrepen. Maar we wilden maar één ding; lekker ballen! Dat begreep hij dan weer niet. En zo kwam het dat hij af en toe helemaal gek werd langs de lijn. Wat hij precies riep aan alle, uiteraard goedbedoelde, aanwijzingen weet ik niet meer. “Doordekken op die man”, of “breedhouden”, zouden zomaar twee van zijn kreten geweest kunnen zijn. En in de rust de dooddoener; “Wel winnen he, jongens!”. Alsof wij niet wilden winnen!

Daar moest ik allemaal aan denken toen ik vanochtend de krant las en het artikel over ”Appreciative Coaching”, of in goed Nederlands; positief coachen, las. De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat de Engelse term van mij is. Appreciative Inquiry en Appreciative Living waren mij al bekend. Dat er nu ook op die manier naar coachen werd gekeken, wist ik niet. Een aantal puzzelstukjes (waarvan ik het bestaan tot dat moment niet eens vermoedde!) vielen op hun plek. Ik zag verbanden naar Sterke punten, naar Mindset van Carol Dweck, naar “Alles wat je aandacht geeft, groeit”, naar Appreciative Inquiry. En dat allemaal voor het belangrijkste in de sport: zorgen dat kinderen sport leuk gaan vinden en blijven vinden!

Er was al een campagne van de overheid; “Geef kinderen hun spel terug”. Dat kan helemaal gaan slagen als alle sportclubs in Nederland overgaan tot positief coachen bij alle jeugdteams. Dan groeit het plezier, groeien de ledenaantallen en komt het resultaat, bijna, als vanzelf. Spread the rumour!

Lichtpuntjes

Geplaatst onder Leren en ontwikkelen met tags , , , , , , op 29 oktober 2010 door Hans de Gruijter

Vandaag ga ik twee zaken aan elkaar koppelen die ogenschijnlijk niet zoveel met elkaar hebben te maken. Het ene is een onderwerp dat aan bod kwam in een gesprek dat ik gistermiddag had met Peter van Dongen en Alexander van Kleef van De Werking. Het andere komt voort uit een column van Pieter Hilhorst in de Volkskrant over de onmogelijkheid van doorstroom van VMBO naar HAVO.

Terug naar het gesprek. Aan het eind van het gesprek kwam het over de discussie over immigratie en integratie. Al eerder was het in het gesprek gegaan over de typisch Nederlandse (?) neiging om alleen maar naar de problemen en tekortkomingen te kijken. Veel leuker is het om naar de dingen te kijken die al goed gaan of naar de positieve kanten van een situatie. De stroming die dat in de praktijk brengt wordt Waarderend onderzoeken of Appreciative Inquiry genoemd. Peter en Alexander stelden dat er veel Nederlanders van allochtone afkomst zijn die geslaagd zijn in Nederland. Zij hebben de taal geleerd, zij hebben opleidingen gevolgd, zij hebben een goede baan gevonden. Kortom zij hebben hun plek gevonden in dat mooie land dat we Nederland noemen en ze leveren een bijdrage aan onze maatschappij en samenleving. Daarnaast zijn er op dit moment veel Nederlanders van allochtone afkomst die op weg zijn hetzelfde te bereiken. Blijkbaar hebben al deze allochtone Nederlanders een manier gevonden om wel te (gaan) bereiken wat anderen maar niet lukt, of niet lijkt te lukken? Misschien moeten we dat nadrukkelijker gaan onderzoeken. Vanuit deze (vele) lichtpuntjes kunnen we dan dat destilleren wat echt essentieel is geweest om die successen te bereiken. En die essentie kan dan richtinggevend zijn voor al die allochtonen die nog niet op weg zijn om een succesvol bestaan in Nederland vorm te geven.

De link die bestaat met de column van Pieter Hilhorst gaat via een tweetal boeken die een ander licht werpen op ontwikkelen en leren. En hoe daar veranderingen in aan te brengen. Dat is het al in een eerder blog genoemde boek Switch van de broertjes Heath. En het boek Mindset van Carol Dweck. Carol Dweck heeft op basis van jarenlang onderzoek vastgesteld dat er twee soorten Mindset bestaan; een Fixed Mindset en een Growth Mindset. In een zeer helder overzicht laat ze zien wat dat voor gevolgen kan hebben voor leren en ontwikkelen. Hieruit komt voort dat je kinderen niet moet complimenteren met het behaalde resultaat (dat kan namelijk leiden tot faalangstige kinderen), maar met de inspanning die zij hebben gedaan om dat resultaat te bereiken.

Chip & Dan Heath bepleiten in hun boek Switch, dat je mensen zover kunt krijgen om dingen te gaan doen die eerst moeilijk of onbereikbaar leken door hen anders te gaan bekijken en te benoemen. Wil je dat mensen zich innovatief gaan gedragen, noem ze dan uitvinders. Wil je dat mensen meer gaan bewegen, noem ze dan sporters. Wil je dat leerlingen beter gaan presteren, noem ze dan uitblinkers. Dit klinkt natuurlijk als de self-fulfilling prophecy. En ‘t gekke is dat ‘t werkt; in Switch worden genoeg onderzoeken en praktijkvoorbeelden aangehaald, waaruit blijkt dat het zo werkt!

Hoe zijn al deze zaken nu gelinkt? Het centrale begrip zit ‘m in de titel van de Blog; lichtpuntjes. Ga op zoek naar lichtpuntjes. Zijn ze er niet, noem dan dingen “gewoon” lichtpuntjes. Als je mensen anders bekijkt en benoemt, helpt dat hen om zichzelf anders te zien. Die andere kijk op zichzelf kan leiden tot ander gedrag. Kortom; noem leerlingen in het VMBO kanshebbers op de HAVO en ze gaan zich zo gedragen en blijken dan ook geschikt voor dat onderwijstype. Noem allochtonen kanshebbers, en ze zullen hun kansen gaan zoeken, vinden en pakken. En complimenteer ze telkenmale op de geleverde inspanning en niet op het bereikte resultaat!

Ben ik (te) optimistisch? Ja, want ik wil niet meegaan in een triest stemmende negatieve tendens. Ten eerste omdat ik er chagrijnig van word. En ten tweede omdat ik het veel leuker vind om naar mogelijkheden en kansen te kijken. Op zoek te gaan naar die dingen waar mensen goed in zijn. Omdat dit mij energie geeft en die ander ook. Een ander argument is of we ‘t ons nog wel langer kunnen veroorloven om het op de oude manier te blijven doen. Die oude manier kost scheppen met geld en levert niet dat op wat we willen. Wat let ons om op een andere manier te gaan kijken te gaan praten. Praten niet over mensen maar met mensen! En dan zien we die lichtpuntjes als vanzelf opkomen. Veel plezier!

O ja, en ik nodig iedereen uit die op deze blog wil reageren om de volgende handschoen op te pakken: kies nu eens de positieve kanten van deze blog, in plaats van alleen te focussen op die zaken die toch niet mogelijk zijn. Op alle mislukkingen die uiteraard zijn aan te wijzen. Ik ben benieuwd!

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.